Bobbie, Gittje, Pelleboer en n ol boerderij. Een ode aan Ede

Als kwajongen van zestien werkte ik op de stadsboerderij. Nou ja, op het land van de stadsboerderij. In de polder achter de dijk. In de verte een boerderij en daarachter de huisjes van Nieuwe-Statenzijl. Boven de Dollard het geschreeuw van een meeuw. Het land zuchtte onder de zinderende zon.

De zomer van 1983. Vakantiewerk met de jongens van Staal. Boelo, Tonnie en gekke Geert. Met z’n zessen liepen we puffend door de slap hangende bietenbladeren. ‘Baiten op aine’ zetten of ‘zoaders ruden’. We moesten zorgen dat de beste bieten bleven staan. Van de dijk naar de wenakker bij de weg. En weerom. De hele dag.

De stad Groningen had veel land in de polder. De arbeiders van de stadsboerderij bewerkten het. In die hete zomer waren wij een van hen. Jongens onder elkaar. Vaak ging het over de dochter van de baas. Door al de verhalen nam ze mythische vormen aan. Tot op de dag van vandaag weet ik niet hoe ze eruit ziet. Maar volgens de overlevering had ze enorme kwaliteiten.

Als het werk gedaan was, logeerde ik bij de jongens van Staal. Op de boerderij in Nieuw-Beerta. Dat was een stuk dichterbij dan een hele lange fietstocht vanuit mijn dorp. Op de weg terug naar de boerderij fietste ik, hoe moe ook van al dat bietengehak, een stukje harder dan op de heenweg. De Tour was op tv. Op de boerderij zat Ede al voor de televisie.

Ik schoof aan op de bank. Het was de Tour dat de Post-trein over de Franse wegen denderde en alles vermorzelde. De Tour waarin Peter Winnen Alpe d’Huez won. Naast een shagrokende Ede op de bank, zeiden we niet zoveel tegen elkaar. Heel af en toe een woord. ‘Die heeft goede benen’ of ‘Kom op Bertje’ als Bert Oosterbosch alleen op de meet afging. En een beste klets op het dijbeen als Bertje juichend over de finish ging. Een jongen met rood haar van zestien en een veertiger genoten van fietsen in de grote voorkamer van ol boerderij.

‘Was ‘t mooi?’ vroeg moeders Gittje bij het avondeten. ‘Mwoohh ging wel’, zei Ede dan. Een conversatie kwam er niet. Want om kwart over zes kwam Jan Pelleboer op Noord en moesten we allemaal stil zijn. Bobbie de bastaardbouvier lag stil tussen onze voeten onder tafel. Alsof hij ook meeluisterde. Voor tienen gingen we op stok. Slapen als een os. Het leven was goed op d’ol boerderij.

’s Weekends reden Ede en moeders in de oude Mercedes naar een nog oudere tante in Rotterdam. Of wij wel goed op het huis wilden passen. ‘Tuurlek’, zeiden wij met een uiterst serieuze blik. De Mercedes was het erf nog niet af en de weg opgedraaid richting Beerta of het ene na het andere plan werd gesmeed. Het autorijplan kreeg de voorkeur. Naast de boerderij stond de blauwe Dyane. Een soort ‘deusjevoo’ maar dan ietsje anders.

Nog geen half uur later reden drie jongens van zestien over de Hamer en Sikkellaan de polder in, in een blauwe citroen. Twee jongens van Staal voorin en ik achterin. Hoe ze het konden weet ik niet maar de jongens van Staal reden gewoon als echte kerels. Om ons jonge uiterlijk te verbergen hadden we petten opgezet, sjaals omgedaan en lange jassen van moeders aangetrokken. Kostverloren. Goldhoorn, Scheemderzwaag. Ik kwam door gehuchtjes waar ik nooit van gehoord had. De tweelingjongens van Staal reden alsof ze er dagelijks reden.

In Stootshorn voor Noordbroek ontstond de tweestrijd. Doorrijden naar Stad of terug naar huis. Ik kneep ‘m. De wijzer van de benzinemeter wees al aardig richting nul. Terug maar naar huis was het oordeel. In Nieuwolda moesten we op de Hoofdweg wachten bij de supermarkt. Een handvol geparkeerde auto’s veroorzaakte de opstopping. Plotseling doken twee jongens in oude jassen met petten onder het dashboard. Automatisch dook ik achterin mee.’ Ssst… Tante Annie’, klonk het beslist voorin.

Tante Annie uit ‘t Waar, ging kennelijk boodschappen doen. Mits werd er aan het raam geklopt. Ik keek voorzichtig onder de klep van m’n pet naar het raam. ‘Zeg.. weten jullie ook de weg naar het zeestrand van Termunten?’ Een verdwaalde toerist die de weg vroeg. Zonder dat wij het hadden gezien ging ook een vrouw naast de man staan. Tante Annie. In geuren en kleuren legde ze de route naar het zeestrand uit aan de man. 'Nieuwolda-Oost doorrijden. Bij Woldendorp rechtdoor en voorbij de Zijl afslaan…'

Toen ze klaar was zei ze zonder ons te zien en dus zonder ons te herkennen: ‘Bedankt hor manlu dat joe dij man eem holpen hebben….’ Wij keken elkaar aan en wisten niet hoe gauw we daar bij die supermarkt weg moesten komen. Met een flinke dot gas scheurden wij langs een hoofdschuddende Tante Annie verder Nieuwolda in richting ol boerderij.

‘Nog wat gebeurd jongens?’ was een dag later de nieuwsgierige vraag van Ede ‘Neuh hor. Helemaal niks’, zeiden twee jongens met stalen gezichten en eentje met een blozend sproetengezicht.

Ede heeft het nooit geweten. Dat van die joyride in de Dyane. Of misschien ook wel, maar dan heeft ie ‘t nooit gezegd. Drie jaar later op 22 juli 1986 overleed Ede Staal. Nu vrijdag dertig jaar geleden. De wereld is met al dat vreselijk gedoe in Frankrijk en Turkijke intussen een stuk bozer. Soms wil ik even vluchten uit die grote boze wereld. Verlang ik naar de wereld van Bobbie, Gittje, en Pelleboer.

Verlang ik naar die ol boerderij….

Erik Hulsegge

Aander week bin’k der weer. Ie ook?

Reageren? ehulsegge@rtvnoord.nl
Meer over dit onderwerp:
blogs commentaren columns edestaal
Deel dit artikel:

Recent nieuws