Column: Beestenboel: 'Bist n kuken!'

'Hé jong, kiek toch uut, zo krieg k mien snouer in toeze!' (Hé joh, kijk toch uit, zo raakt mijn snoer in de war). Terwijl ik rustig in de kamer mijn krantje zit te lezen, hoor ik vanaf de straat deze kreet. Het verbaast mij dat er goed Gronings gesproken wordt door een jongen van een jaar of twaalf.

Dat hoor je niet elke dag. Kennelijk is hij van plan met z'n vrienden te gaan vissen. Hij is duidelijk bang dat hij door één van zijn vriendjes van de sokkengereden wordt. Het groepje van vijf jongens staat nu stil bij de vijver in het park voor mijn huis. Terwijl ik naar de jeugdige vissers kijk, word ik bevangen door nostalgie. Zo'n 50 jaar geleden ging ik ook regelmatig met mijn vriendjes vissen. Niet in een vijver in een park maar in het diep. Een hele onderneming: wormen vangen, vishengels aan de fiets bevestigen en vervolgens een flink stuk fietsen naar de landerijen buiten mijn woonplaats.

Een enkele keer mocht ik mijn moeders fiets lenen. Dan was gemakkelijk. Ik kon de snoeren, dobbers, aas en voer voor de vissen, maar ook proviand voor eigen gebruik, in de fietstassen meenemen. Mijn eigen fiets had geen fietstassen. Die hoorden, volgens de normen van die tijd, niet op een jongensfiets.

In diezelfde tijd had ik niet alleen plezier in vissen. Ook het bezit van een eigen huisdier, bij voorkeur een cavia, leek mij erg leuk. Nou wil het geval dat ik op een gegeven moment geveld door een griepje in bed lag. Mede daardoor waarschijnlijk ging mijn moeder overstag. Wekenlang had ik aan haar hoofd gezeurd en nu had het resultaat. Mijn moeder zocht in het telefoonboek naar een dierenspeciaalzaak. Die bleek niet voorhanden in onze woonplaats en ook niet in naburige dorpen.

In de stad Groningen vond mijn moeder er eentje. Door mij aangemoedigd, pakte ze direct de telefoon en belde. 'Dag meneer, heeft u ook marmotjes?', opende mijn moeder het gesprek in de verwachting een dierenhandelaar aan de lijn te hebben. 'Nee, mevrouw hoe komt u daar zo bij? Wat zou ik daar mee moeten?' Enfin, al gauw bleek dat mijn moeder in de gauwigheid een verkeerd nummer had gedraaid. De man aan de telefoon was een particulier die niet in huisdieren bleek te handelen.

Bij de volgende poging had mijn moeder meer succes. De stadse dierenwinkel had cavia's in voorraad, in alle soorten en maten. Te koop voor vijf gulden per stuk. Opa bleek bereid om de volgende dag met de bus naar Groningen te gaan en hij leverde mijn cavia in een doos bij ons af.

Dolblij was ik ermee. Het getjilp van het diertje vond ik leuk. Na enige tijd, het diertje bleef maar tjilpen, luidde de conclusie van mijn moeder: 'Hij wil wat meer ruimte, denk ik. Hij moet vrij kunnen bewegen. Dan stopt hij waarschijnlijk ook wel met dat getjilp.' Na enig speurwerk werd een grotere doos gevonden in de schuur. Ik vroeg mij af of mijn vader misschien een houten verblijf voor mijn pas verworven bezit kon maken. Dat leek me beter voor de, ook in de grotere doos, nog steeds tjilpende cavia.

Diezelfde avond nog timmerde mijn vader met wat planken en wat gaas een pracht onderkomen voor het diertje. Hij kon zijn nieuwe onderkomen, vermoedelijk, wel waarderen. Hij rende met grote vaart in het rond en was nou niet direct met stomheid geslagen. Hij tjilpte erg enthousiast zo mogelijk nog meer en nog harder dan in zijn vorige huisvesting.

Korte tijd later ging ik naar de middelbare school en werd ik geacht huiswerk te maken. Dat deed ik op mijn eigen kamer in het gezelschap van een nog altijd vrolijk tjilpende cavia. Het zou te ver gaan om te beweren dat mijn matige schoolprestaties daaraan te wijten zijn. Maar het leidde wel af. Net als de muziek die ik altijd beluisterde tijdens, wat ik noemde, 'huiswerk maken'.

Het schooljaar was nog jong toen de eerste vakantie alweer aanbrak. Opa en oma wierpen zich op als 'oppas' voor de cavia. Ze hadden al ervaring met konijnen, vandaar. Reeds de eerste week kwam er een brief van oma op ons vakantieadres. De cavia bleek géén mannetje, zoals wij al die tijd hadden verondersteld. Zij had namelijk het leven geschonken aan een drieling! Oma had ze 'Stinko', 'Bruunko' en 'Plukje' genoemd. Volgens oma waren dit passende namen. Stinko, omdat hij meer keuteltjes dan de anderen produceerde, Bruunko was overwegend bruin en Plukje bestond uit plukjes haar die in de vorm van 'dwarrels' (kruinen) zijn hele lichaam bedekten.

Thuisgekomen had ik de zorg over een gehele kolonie cavia's. Die luidruchtig te keer gingen in het hokje dat aanvankelijk voor slechts één diertje bedoeld was. Nu deelde het hele kwartet dezelfde kist. Dat wekte mijn medelijden. Naar mijn idee hadden ze te weinig ruimte en bovendien hadden ze last van mijn schemerlamp als ik 'huiswerk maakte'. Voor een groter onderkomen kon ik niet zorgen. Wel dacht ik een kleed over het hokje te moeten leggen, omdat ze volgens mij steeds harder gingen tjilpen doordat ze last hadden van mijn bureaulamp die in hun hok scheen.

Het eerst stuk textiel dat ik in een kast vond, achtte ik geschikt. Maar het moest wel worden aangepast. Ik knipte er vele gaatjes in om te voorkomen dat de cavia's in volslagen duisternis zouden komen te zitten. Toen ik moeder mijn diervriendelijke arbeid toonde, was ze geheel niet blij. Hoofdschuddend en verdrietig keek ze naar haar trots die ik van vele gaten had voorzien. Het stuk textiel dat ik had gebruikt, bleek haar trouwjurk! En ik had het geruïneerd.

Vader vond mijn huisvlijt ook niet geslaagd en stelde voor een groter hok in de schuur te maken. Dat gaf wat meer ruimte voor de diertjes en ik zou niet meer gestoord door het getjilp, me volledig op mijn 'huiswerk' kunnen concentreren. Louter voordelen zou je zeggen. Toch bleken er ook nadelen. In de schuur begon het te stinken. Mijn ouders sommeerden mij het caviahok vaker te verschonen. Daarvoor had ik weinig animo, vooral toen ik zag dat de planken kletsnat waren geworden van de cavia-uitwerpselen.

Ik besloot de koe bij de horens te vatten en een vuurtje te stoken in het caviahok. Dat zou de urine wel doen opdrogen en aldus de stank laten verdwijnen, redeneerde ik. Ook was ik zo slim om de diertjes eerst even uit het hok te verwijderen. Ternauwernood kon ik voorkomen dat zowel het caviahok als de schuur in vlammen opgingen. Voortaan keek mijn vader er nauwlettend op toe dat ik wekelijks het caviahok verschoonde en voorzag van vers hooi.

Om onverklaarbare redenen bleef het echter stinken in de schuur. Dat kon niet aan mijn schoonmaak werk liggen. Daarover waren mijn vader en ik het eens. Maar waar kwam die stank dan toch vandaan? Al wekenlang roken we een penetrante geur. Waardoor ontstond die? We stonden voor een raadsel.

Mijn moeder kwam erachter toen zij op haar fiets boodschappen ging doen. De fietstassen waren volslagen ongeschikt om de levensmiddelen die ze had gekocht te bergen. Na opening van de tassen zag ze in beide fietstassen een gekrioel wat witte beestjes. 'Maden!' Zag zij tot haar ontzetting. De vissen die ik weken te voren had gevangen, had ik in haar fietstassen gedaan. Ik had mijn vangst vol trots willen laten zien. Thuisgekomen was ik dat totaal vergeten. De beestenboel leek compleet: cavia's, vissen en maden. Maar wat zei mijn moeder? 'Bist n kuken!' (Je bent een uilskuiken!)

'Noordman' Okkie Smit nam dit voorjaar afscheid na 28 jaar voor RTV Noord te hebben gewerkt. Zijn verhalen zijn de komende weken op zondagochtend te lezen.
Meer over dit onderwerp:
columns opinie GRONINGEN
Deel dit artikel:

Recent nieuws