Column: Bullebak

Huilend stapte Roberto onze woonkamer binnen. Hij was van de weg gereden. De berm in geduwd. Bedreigd.

Roberto reed namelijk 30. Waar je 30 mag. In Haren. Vlakbij een school. En een kruispunt. In de bebouwde kom.

Een woedende, agressieve, roodaangelopen bullebak in een grote dreigende grommende Jeep had hem eerst toeterend, en met zijn koplampen knipperend, tot meer snelheid gemaand. Verward en bang was Roberto nóg langzamer gaan rijden. Uiteindelijk had 'ie Roberto de berm in gedwongen, en minutenlang bij zijn gele Micraatje staan brullen.

Ik was verbijsterd. Is het echt? Nemen dit soort lui daadwerkelijk stukje bij beetje onze publieke, openbare ruimte over? Bepalen zij steeds vaker, op steeds meer plekken, dat ze het volste recht hebben om lomp, agressief, onverschillig en gemeen te zijn? Krijgt degene die het hardst schreeuwt gelijk? Zijn blazende blaaskaken de baas geworden op de weg, in de winkel, in de wijk, op het werk?

'In Italië rijden ze allemaal zo,' verdedigt Roberto 's avonds in bed zijn belager. 'Dat klopt,' antwoord ik, 'Maar die bedreigen elkaar niet. Ze halen er verontschuldigend hun schouders op, sturen handkussen naar elkaar toe, knipogen zich een deuk en buigen het hoofd als ze er even langs mogen. In Italië is er een excuuscultuur. Des te groter de auto, des te groter de bescheidenheid. Hier lijkt er steeds meer sprake te zijn van 'aan de kant jij-'gedrag.' Even is het stil. 'Ook die heb je in Italië. Dat heet de maffia,' antwoordt mijn man terecht.

Het doet me denken aan een bekend jeugdboek van de Italiaanse schrijver Luigi Garlando, 'Dit is waarom ik Giovanni heet'. Het verhaal gaat over de 10-jarige Giovanni, die opgroeit in Palermo. Op school is hij het pispaaltje. Vooral de drie jaar oudere en veel grotere Tonio pest, bedreigt en chanteert hem dagelijks. Uiteindelijk geeft de kleine Giovanni zelfs zijn zakgeld af. En begint hij voor de bullebak te stelen. 'En je houdt je bek tegen iedereen, anders word je nooit meer wakker,' bromt Tonio hem dagelijks in zijn tieneroortje. De maffia in het klein.

Totdat Giovanni's vader dat ontdekt. Die pakt zijn zoon aan de arm en leidt hem langs de grote en kleine helden van de stad op Sicilië. Hij wijst de huizen aan van de advocaten die niet bogen voor chantage, de winkels van ondernemers die afpersers de deur uit sloegen, de kantoren van de rechters die gewoon hun werk bleven doen ondanks kogelbrieven. En erger. Op de laatste schooldag komt de grote Tonio voor zijn 'bijdrage' dreigend, met een groepje vrienden, om de kleine Giovanni heen staan. Die laatste bedenkt zich niet, stroopt zijn mouwen op en verkoopt de bullebak een ongekende vuistslag in zijn gezicht.

Waarom Giovanni uit het boek zo heet? Hij is vernoemd naar de beroemdste antimaffiarechter van Italië, Giovanni Falcone. Dat was de held die langzaam maar zeker, draadje voor draadje, het meedogenloze machtsnetwerk van de maffia wist te ontbinden. Totdat een bom hem vermoordde. Maar Falcone leefde voort. Honderdduizenden Sicilianen gingen de straat op. Afgeperste winkeliers, bedreigde ambtenaren, weduwes van vermiste loopmannen. Huismoeders, opa's, boeren, taxichauffeurs. Ze waren er allemaal. Opeens stond de maffia oog in oog met haar grootste vijand: het machtige volk. De meerderheid.

Bullebakken hebben geen gelijk. Nooit. Zij moeten ons de les niet lezen. Wij hen. Niet met vuistslagen, maar met overtuiging. We moeten hen blijven vertellen dat je in een samenleving op je beurt wacht, de deur openhoudt voor een ander, normaal doet op de weg en beleefd blijft. Misschien moeten we die bullebakken duidelijk maken dat zij de minderheid zijn. En fout zitten. En laten we dat vooral op de scholen doen. Want hier kun je niet vroeg genoeg mee beginnen.

Marc Wiers

Marc is altied onderwegens tussen Genua (Italië), Straatsburg (Frankrijk) en Groningen. Wat hij onderweg tegenkomt vertelt hij hier elke maandag. Volg Marc op Twitter

Meer columns van Marc Wiers? Bekijk onze pagina Opinie & Verhaal

Meer over dit onderwerp:
columns opinie GRONINGEN
Deel dit artikel:

Recent nieuws