Vroag&Antwoord: Loezebos.....

Er zijn mensen die van hetzelfde woordenboek verschillende drukken verzamelen,- en ik ben een van hen. Het neemt wel ruimte in de boekenkast maar het voordeel is dat je de geschiedenis van woorden als het ware druk voor druk kunt volgen, áls de makers van dat woordenboek correct te werk zijn gegaan.
Ik kom er op door een woord dat iemand aandroeg in de vorige ronde van Vroag&Antwoord, Vragenlijst 5. (Momenteel loopt nog de 6e lijst - doe mee, doe mee, schrijf mee en maak
tot een mooi decemberfeest!) Het woord dat een deelnemer aan Vroag&Antwoord aandroeg,
loezebos
! Moet kunnen, in deze laatste bijdrage van mij in het oude jaar.
Laten we beginnen bij het Nederlandse huilebalk. Als het terecht is om uit achtereenvolgende drukken van hetzelfde woordenboek iets af te leiden, dan moeten we op basis van Koenens Handwoordenboek het volgende veronderstellen: huilebalk was eerst een beroep, namelijk iemand die tegen betaling huilde op een begrafenis, 'gehuurde schreier' zegt Koenen; pas later werd het een vervelend kind dat 't telkens op een blèren zet. Het scheldwoord is overgebleven, het oudere origineel is in totale vergetelheid geraakt.
Dat woord huilebalk zal wel twee stukjes bevatten en bestaan uit de stam van de woorden huilen en balken, dat hetzelfde is als ons bölken elders bèlken 'hard roepen'. Maar nu loezebos.
Het is duidelijk, loezebos is een scheldwoord. Het is erg simpel om in de Groningse literatuur voorbeelden te vinden. Mijn oud-leraar Jan Harms op het Willem-Lodewijkgymnasium ("Mijn naam is Harms, van mij krijgen jullie Latijn" waren zijn eerste woorden, 50 jaar terug) vindt het vast niet erg als ik hem als voorbeeld citeer, het begin van zijn gedicht Eerste laifde, vroug in t joar:
"Doe Betteke van Ulsda, doe Doe loezebos, doe mieg-op-t-nust Doe gunst mie rust noch duur Moakst mie mien leven zuur Doe Betteke van Ulsda, doe."
Loezebos is een scheldwoord, luizebos dat tegenwoordig misschien wel geschreven moet worden als luizenbos. Het belangrijkste probleem met loezebos is voor mij dat laatste stukje, -bos. Het is niet mijn specialiteit, maar ik meende dat luizen erg kleine beestjes zijn - hoe kun je die dan als een bós aanmerken?
Het is eigenlijk iemand wiens haar vol luizen zit, zegt Van Dale. Natuurlijk: je hebt luizen en je kunt ook een bos haar bezitten en zo hebben we samen luizenbos. Maar het blijft gek en ik blijf twijfelen, want je denkt bij loezebos toch in de eerste plaats aan een bos luizen.....
Toevallig zag ik in het Middelnederduitse woordenboek - dat is een woordenboek waarin de taal beschreven staat van het Noorden van Duitsland maar ook van Groningen uit laten we zeggen de periode tot zo'n 1600 - toevallig zag ik daarin het woord luse-busch. Aha, al voor 1600 het aloude scheldwoord loezebos!
Neen! Wel staat er lûs in voor 'luis', maar er is een ander woord lûs en dat betekent een soort riet. En als dat lûs met busch 'bos' gecombineerd wordt, dan krijgen we luse-busch 'plaats waar veel van dat riet groeit'.
Ik denk (ik denk, of ik hoop eigenlijk) dat dit luse-busch met deze betekenis verdwenen is toen niemand dat woord lûs 'riet' nog gebruikte. Maar loezebos als aanduiding voor iemand met veel luizen en dus als scheldwoord kon blijven voortbestaan, zonder dat wie dan ook nog dacht aan een plek waar veel riet groeit. Eigenlijk dus dezelfde ontwikkeling als bij dat andere scheldwoord huilebalk.
Is het zó? Ik houd het voor mogelijk, maar garanties zijn er bij dit soort zaken zelden. Zekerder is dat dit de laatste aflevering over een woord of een uitdrukking voor 2013 is geweest. Volgende week komt nog een terugblik op hetverhaalvanhetgronings.nl door Eline Brontsema. Na Kerst en Nieuwjaar spreken wij elkaar weer op 8 januari.