Theaterangst

In theaters voel ik me nooit zo op m'n gemak. Dat is al heel lang zo. Echt goed weten hoe dat komt weet ik niet. Ik hou het op een jeugdtrauma.
Als verlegen puberjongen, rood piekhaar en twee enorme puisten op m'n kin ging ik vergezeld door  twee mooie meiden naar bioscoop Scala in de Langestraat in Winschoten.
Daar zat ik, geflankeerd door de twee blonde nimfen én de koning te rijk. Lang duurde dat gevoel niet.  Bioscoop-eigenaar  Geert Hollemans had de filmrol nog maar net aangezwengeld, de chipszakken krakend geopend of mijn maag begon raar te doen.  Eerst een licht borrelen gevolgd door een lava-gevoel op zoek naar de krater van de vulkaan. En de vulkaan ging spuwen. En  hoe! 'As n raaiger!!!', zou buurman Knelis zeggen.
Mijn maag werd geleegd tegen de stoel voor me. Zo hard geleegd dat m'n mooie buurmeisjes en ikzelf nog eens getrakteerd  werden op een zure douche. Stukjes speklap plakten aan de stoel voor mij én in de mooie blonde lange haren naast mij.
Gilletjes van afschuw en stoere vloeken rolden door de donkere filmzaal. Het besef dat mij iets verschrikkelijks was  overkomen kwam snel. Ik vluchtte de klapdeuren uit, nam de steile stenen trap met gevaar voor eigen leven, sprong op mijn  fietsje en reed als een dolle, nog drie keer brakend, naar huis.
In een bioscoop, theater en zelfs in een voetbalstadion heb ik nog steeds die angst dat mij dit nog een keer gaat  overkomen. Onbestemde gevoelens, zwetende handjes en een strak koppie als uiting van een niet verwerkt trauma.
Vorige week zat ik weer eens in het theater. Misschien wel in het mooiste, maar zeker het beroemdste theater van  Nederland. Carré in Amsterdam. Ik zat daar bij de voorpremière van Petticoat. ('t Was eigenlijk een try-out maar voorpremière klinkt toch stukken beter). De nieuwste musical van Joop van den Ende is helemaal de bom. Zondag ging ie in première en je kunt de tv niet aanzetten  of een krant openslaan of het gaat wel over Petticoat. Het muzikaal verhaal gaat over Patricia Jagersma een nuffige dochter van een werkloze strokartonarbeider uit Winschoten die het in
de jaren vijftig als zangeres gaat maken in grote  stad Amsterdam.
Nou heb ik het dus niet zo met theaters en ook niet zo met musicals. Maar dit was een cadeautje van M.  En cadeautjes van M. sla je niet af of je moet al achterlijk zijn. Bovendien wordt de rol  van het Winschoter wichje  gespeeld door Chantal Janzen en daar ga je ook als niet-musicalman voor naar het theater en zeker naar Carré.
Onder de indruk van de ambiance vind ik alles mooi. M. is mooi. De plaatsen zijn mooi. De decors zijn mooi, de entree van Joop van den Ende en zijn hele gevolg is mooi. Een vriendelijk hallo van Albert Verlinde vind ik helemaal mooi. En de  opkomst van Chantal maakt het mooi compleet mooi.
Maar dan gebeurt het: Chantal trekt haar mond open. Al knauwend, N-inslikkend en stemveranderend probeert zij van het Winschoter wichje een echt Gronings deerntje te maken. Ik begin me lichtjes op te winden. Toegegeven, ze doet haar best en ze heeft evenals de rest van de cast Groningse les gehad van een echte Groninger, maar lukken doet het toch niet echt.
Het Groningse 'Waark' is bijvoorbeeld het Drentse 'Wark' geworden. Tegenspeler van Chantal is Roon Staal, u weet wel die van 'Help me through the night' en nota bene de neef van Ede, speelt een schlemiel die nog schlemieliger Gronings bezigt.
Mijn opwinding wordt alsmaar groter. Helemaal als ik eens goed naar het decor kijk. Winschoten is in het decor een  armzalig huisje gesitueerd op een kale lege vlakte met één boom. Even later is mijn stad een strokartonfabriek, een foto van De Toekomst afgeplakt met een fabrieksmuur.
Ik zeik zelf ook altijd over Winschoten maar dit raakt mijn Sodomer trots. Winschoten een kale lege vlakte, een oud huisje  en een grote fabrieksmuur met daaronder debiel pratende inwoners!!!!????
De Winschoter Couranten voor het raam van het arbeidershuisje missen nog net. In de pauze sla ik in één teug drie flessen Amstel naar binnen en als M. even later haar
hoofd op m'n schouder legt is mijn woede gezakt over de debilisering van mijn woonplaats.
Als het Amsterdamse musicalpubliek in de finale Roon Staal hartstochtelijk toejuicht
omdat hij zegt dat 'een boer zijn eigen dikke varkens toch altijd mooier vindt' ben ik weer in m'n hum.
Even later in het donker langs de boorden van de Amstel wandelend met M. bedenk ik dat ik in al mijn opwinding mijn angst ben vergeten. Niet eens aan gedacht zelfs. Geen spoortje theaterangst meer gevoeld. 't Zal toch niet zo zijn. Mijn jeugdtrauma verwerkt dankzij een musical over Winschoten in het Amsterdamse Carré, dankzij een cadeautje van M. Ik grijp haar hand nog maar eens stevig vast. “Je had me geen beter cadeau kunnen geven”, fluister ik en zoen haar zacht in haar nek onder het noodgedwongen sjaaltje op het kale hoofd.