Dagwoord: WEZENLIEK

© RTV Noord
Siemon Reker neemt in maart volgend jaar afscheid als hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de RUG. Vanaf 2 maart pakt hij dagelijks een publicatie uit zijn Groninger boekenkast en legt de vinger telkens bij één wisselend woord daaruit. Dat resulteert in de werkdagelijkse column Dagwoord.
Het dunne boekje bevat een overdruk van een blijspelletje dat mevrouw Melles - van der Meulen schreef, toen ze nog zó heette en in Rotterdam woonde. Maar de overdruk staat op naam van C. van der Naald - van der Meulen, en er staat als plaats "Lauswolt" bij: daar werd op 22 maart 1980 in familiekring de 80ste verjaardag van Tante Co gevierd. Dat was twee jaar te laat, de schrijfster werd in 1898 geboren, maar door ziekte werd het feest uitgesteld. Het stukje is hier onderdeel van het menu bij het diner op Lauswolt bij Beetsterzwaag, er zijn ook twee gelegenheidsliederen in afgedrukt.
Dwaaarsbongel heet het toneelstukje, dat in 1928 in Haarlem de eerste prijs behaalde door Gruno, de Groninger vereniging in Rotterdam waar de heer en mevrouw Melles zo veel voor hebben gedaan. Het stuk is sterk schatplichtig aan Geert Teis voor wie naar de spelling kijkt. Het woordenboek van Ter Laan was ook nog niet helemaal uit toen Dwaarsbongel geschreven werd. In het tweede toneel kunnen twee jongeren, Gerret en Geertje, bij elkaar zitten - er is liefde in het spel. Gerret vraagt in het begin van de scène een beetje gemaakt overdreven "Haarst wezenliek zoo'n verlet om mie?"
Wezenliek moet tegenwoordig wel 'in essentie' betekenen, áls het nog in het Gronings gebruikt wordt. In het stukje van Tante Co is het eerder een belangrijke vraag naar de oprechte gemeendheid van de liefde. De schrijfster is in Leeuwarden geboren in een Gronings gezin dat niet lang daarna naar Groningen terugkeerde. Dat komt mooi uit met een ander blijspelletje van meer dan een eeuw eerder, Et en Fret.
Daarin dingt Fret om de hand van Et en daarover spreekt hij met een collega-predikant, in de hoop dat deze als maaksman wil fungeren. Zijn liefde moet wel diep zitten, want de collega moet weten, zegt hij "dat ik zedert ein week of zesse zoo raar in ’t lief west bin, dat ik altemets zeuls meinde, dat ik gek was en luip mien pastery op en neer, zoodat ik nyt wist, wat my scheelde. Maar nou heb ik dogt, dat zol wel koomen, dat ik ein wief hebben mos." Waar werd oprechter liefde ooit gevonden? Zes weken lang kriebels in z'n binnenste, dat moeten de hormonen zijn!
Dominee M. stelt nog even de prangende vraag: "Heb je dan wezentlyk u zin gezet op dat mensch?" Dat is hetzelfde woord, in dezelfde context en in een even lachwekkend stuk - toevallig ook spelend in de stad Groningen maar dan een 130 jaren eerder.
C. van der Naald - van der Meulen, Dwaarsbongel. Bliedspultje in ain bedrief. [eigen beheer]