Column: Voetbalbloed

Eva Hulscher wisselt haar column af met Alice Buitenga
Eva Hulscher wisselt haar column af met Alice Buitenga © RTV Noord
Als iemand bijgelovig is, ben ik het wel. Ik had de gevolgen dus moeten voorzien. Toch deden we het: hardop zeggen dat onze eventuele kinderen nooit op voetbal zouden mogen.
Het duurde even, maar toen zoon (11) zes was, werd het vonnis getekend: hij wilde het shirt van Velocitas 1897 dragen. Zoon (8) volgde vorig jaar zijn voorbeeld. Zeker vonden ze tennis ook leuk, net als basketbal, atletiek, freerunning en rugby, dat ze op ons initiatief allemaal braaf probeerden. Voetbal is alleen leuker.
Gruwelijk leek het ons, elke zaterdagochtend voor dag en dauw opstaan, om in weer en wind tussen schreeuwende ouders langs de kant te staan. In het geval van manlief was dat best begrijpelijk, hij had nooit wat met voetbal. Mijn eigen weerzin was eigenlijk onverklaarbaar.
In mijn tienerjaren stond ik week in week uit langs de lijn. Met vriendin Esther had ik een vaste plek in het Oosterpark: bij het gele hek ter hoogte van de middellijn, voor de Tonny van Leeuwentribune. Al was het -10 en verloor Groningen alles, we waren erbij. We genoten van de rushes van Joop met zijn aerodynamische kapsel, de beruchte kontdraai-goals van Mariano en de kopballen van Harris. Zelfs de keren dat we op de Zaagmuldersweg tussen rellende supporters en de ME belandden, deerden ons niet.
Misschien was het dus mijn voetbalbloed dat zoons het veld op stuurde. Inmiddels blijft het niet meer bij twee keer trainen en een wedstrijd per week, ook thuis draait alles om voetbal. Buitenspelen is voetbal, binnenspelen is ballonbal, gamen is FIFA-mobile en de meest saaie wedstrijd op ESPN wint het van Netflix. Op zondag zitten we met het bord op schoot en bij het ontbijt moeten ze samenvattingen kijken van Europese wedstrijden die na bedtijd worden gespeeld.
Zoon (11) praat in jargon dat ik allang niet meer kan volgen. Nooit geweten dat je als verdediger hoog kan staan, dat er een vijf-secondenregel is en dat er een 4-3-3 ‘oude’ en een 4-3-3 ‘nieuwe’ stijl bestaat. Zoon (8) heeft zich op zijn beurt een echt voetbalego aangemeten. Hij maakt de Haaland-goal bijna beter dan de Noor zelf, schiet net zo mooi van afstand als Mbappé en ‘suuut’ fanatieker dan Ronaldo. Oh, en hij kan ook prima in de goal bij Oranje. Is Koeman ook direct van zijn keuzestress af.
Wat lange tijd nog boven de markt hing was hun voetbal-dna: welke Nederlandse club zou hun liefde krijgen. Zelf was ik naast FC Groningen-supporter hartstochtelijk fan van Feyenoord. Daar was destijds heel wat karakter voor nodig en ik vermoedde dat zoons voor de makkelijke Ajax-weg zouden kiezen. Met een bloedend Feyenoord-hart gaf ik zoon (11) daarom een Ajax-gymtasje cadeau en op zijn zevende nam ik hem en opa mee naar FC Groningen-Ajax. Ik kon niet laten te vermelden ‘dat we natuurlijk wel voor FC Groningen zijn’.
Dat bleek niet aan dovemansoren gericht. Terwijl het hele vak Groningers ongegeneerd voor Ajax was, maakte Sierhuis pal voor onze neus de 1-0. Groningen won de wedstrijd, wij waren euforisch, ik niet in de minste plaats omdat Ajax verloren had. Of daar het zaadje werd geplant weet ik niet, maar inmiddels zijn zoons beiden uitgesproken Feyenoord-fan. De gymtas is naar de kringloop, zoon (11) kocht laatst van zijn spaargeld een Feyenoord-shirt en Ajax is in hun taal ‘Ajakkes’ geworden.
Toegegeven, ze zijn misschien wel net zulke succesfans als ik de Ajacieden in mijn omgeving altijd noemde. Alleen negeer ik dat liever, ook vanwege dat bijgeloof van mij. Hardop zeggen dat je voor succes bij Feyenoord moet zijn, is vragen om problemen. Nee, ik heb mijn lesje wel geleerd. Hoewel dat voetbal van zoons lang niet zo vervelend is als verwacht. Sterker nog: ook manlief is als een blad aan de boom omgeslagen. Of het nou uit is of thuis, regent of hagelt, vroeg is of laat, we zijn erbij. Het blijkt makkelijk fan zijn van je eigen kind.

Eva Hulscher