'Vroeger hoefde je niet, nu moet je wel'

Als krantenjongen stond ik vaak te wachten voor de trein. Op de bagagedrager van m’n Fongers de grote Nieuwsblad-fietstassen vol met inktgeurige kranten. Voor m’n gevoel stond ik altijd alleen voor de spoorbomen. Niet meer dan een rinkelende bel en in de verte de trein. Zittend op m’n fiets hield ik me vast aan de rood-wit gekleurde planken.
Als de trein ronkend nabij was, stond ik op de trappers om goed naar binnen te kunnen kijken. Ik telde de passagiers. Twee, drie, vijf, acht. Veel verder kwam ik nooit. Om de doodeenvoudige reden dat er niet meer passagiers in zaten. In deze denderende rode dieseltrein (merkwaardig genoeg Blauwe Engel genoemd) zaten tussen Winschoten en Scheemda nooit meer dan acht mensen. Soms was er helemaal niemand om te tellen. Een schier lege trein. Vijf keer in één maand een trein zonder een mens was het record in mijn krantenjaren.

Nu is dat wel anders. Mudje vol zitten de Ede Staal, de Jan Uitham en de Jan de Roos, welk uur van de dag dan ook. De Spurt tussen Stad en Bad Nieuweschans heeft immer passagiers aan boord. Het is zelfs zo gek dat er door de drukte een heuse intercity komt tussen Stad en Winschoten. En het wordt nog gekker, er zijn zelfs plannen voor een hogesnelheidstrein naar Bremen: de Wunderline.

Dit fenomeen zit me nu al jaren dwars. Het valt niet te rijmen. In mijn krantenlooptijd had bijna niemand een auto en woonden er veul meer mensen in Oost-Groningen. Het woord krimp werd alleen maar gebruikt voor verkeerd gewassen bezoentjes. En de trein maar nagenoeg leeg heen en weer rijden naar Stad. Anno 2014 zijn er minder Oostgroningers maar er rijden meer auto’s. Veel meer auto’s. Ik wil ze niet de kost geven die er zelfs in meer dan eentje rijden. En toch zit de trein voller dan ooit. Ligt het soms aan de bussen? Minder bussen tegenwoordig? Nee hoor! De gele Gado-bussen van toen reden net zo weinig door Nieuw-Beerta of Wedderveer als de rooie van Q-buzz nu. Ik had me al verzoend om het treinraadsel voor altijd met me mee te moeten dragen. Het café bracht uitkomst.

‘Vrouger hufst nait vot, nou most wel!!’ De man aan de bar die het zegt is flink dronken. Hij heeft het over Winschoten en de ‘heule mik-mak-meer’. ‘Sjan Doedels!’ noemt hij de gemeentebestuurders. Z’n bril danst op z’n neus. De handen articuleren mee in zijn dronkemanstirade. ‘Niks!’ was er meer in Winschoten. Rechtbank, belastingdienst, arbeidsbureau, GAK-kantoor, Pedagogische Academie, melkfabriek, bioscoop….. ziekenhuis. Zonder te haperen dreunt hij zo een rijtje verdwenen of bijna verdwenen Winschoter instituten op. De rest hoor ik niet meer. Mijn hersens registreren een tikje traag door het bier de oplossing van mijn eeuwig raadsel.

“Vroeger hoefde je niet, nu moet je wel… “ Alles was vroeger voor handen, voor iedereen. Je hoefde niet weg. In Winschoten was gewoonweg alles. Maar nu is alles weg of gaat weg. En dat geldt ook voor de mensen. Als je jong bent en geen auto hebt moet je elders naar school. Als je iets ouder bent en geen auto hebt moet je elders naar je werk. Met vele anderen. Met de trein.

Ik zie me straks staan, nog ouder en grijzer dan ik nu al ben, met m’n Fongers voor de bomen van de spoorwegovergang bij de Vrijheid in Winschoten. In de trein zal ik niet meer kunnen kijken. De supersnelle Wunderline raast Winschoten en mij in ijltempo voorbij. Weemoedig zal ik terugdenken aan de tijd van de lege Blauwe Engel...

Erik Hulsegge

Meer over dit onderwerp:
opinie columns
Deel dit artikel:

Recent nieuws