Column: Het meisje van de Oldambtrit

Soms heb je van die dingen die gewoon gebeuren. Kleine dingen die zonder dat jij er iets aan kan doen bepalend zijn voor de rest van je leven. De dag waarop het gebeurt wordt dan plotseling de eerste dag van de rest van je leven. Zo’n dag was 15 februari 1986. De dag van de vijftiende Oldambtrit.
Die zaterdag, exact dertig jaar geleden, schaatste ik de Oldambtrit. In m’n eentje. Het kwam zo uit. Maar stiekem vond ik het niet erg. Ik kon eigenlijk met niemand schaatsen. Mijn slag, een technisch lange zonder hard te gaan, paste bij niet één van mijn vrienden. Dat was voor hen lastig maar ook voor mij. Ik stond daarom op zaterdagmorgen alleen op de Diepswal in Scheemda om de wedstrijdrijders te zien finishen.

Ik zag Dries Klein, een voor mij volstrekt onbekende man, winnen. Onze lokale held en timmerman, Fokko Veen redde het weer net niet. Schaatslegende Jan Uitham kwam er vlak achteraan. De laatste wedstrijdschaatser was nog niet binnen of ik was op m’n nieuwe Nijdam-noren en de stempelkaart in mijn broekzak al richting Piepkefabriek. Het vroor een graadje, af en toe een laagje sneeuw op het mooie ijs en een flauw zonnetje erboven. ‘t schierste scheuvelweer van Aikamp.

Voor ik het wist was ik al bij ’t Waar op weg naar Nieuwolda, het fijnste stukje Oldambtrit. Dan rechtsaf het Nieuwe Kanaal op naar Midwolda en terug richting Termunterzijl. Bie Schaive Klabbe, de brug over het Termunterzijldiep net voorbij Nieuwolda moest er gekluund worden. Dan verder tegen de wind, op slecht ijs. Ik kon aanklampen bij een groepje van drie kerels in schaatspakken met van die skibrillen en een jongen ongeveer even oud als ik. Op sleeptouw naar Termunterzijl. Na de stempel gunde ik me zelf een bekertje kwast in het hotel bij de sluis.

Wind mee en de drukte voorgebleven was ik na een uurtje of twee al weer terug op Diepswal. In de oude gemeenteloods haalde ik met het zweet nog op de rug m’n medaille. Ik ging op zoek naar m’n fiets om de hoek bij café de Haven. Op m’n gele klompen, de schaatsen in m’n voetbaltas, wurmde ik me door de menigte. De hele straat was volgepakt met mensen in schaatskleren op weg naar hún Oldambtrit. Hier en daar gemor of een geïrriteerde blik omdat ik tegen de stroom in liep. Tja, ik kon toch echt niet anders. Vlakbij het café, bij mijn fiets, week de menigte uiteen. Alsof het zo moest zijn.

‘Heijjj Peter wat doe jij hier!?’ Een blozend mooi meisje met blond haar onder een bruine muts staart me aan met haar lachende ogen alsof ik haar beste vriend ben. Misschien, omdat ik totaal verrast ben. Misschien, omdat ik denk dat ze de verkeerde voor heeft. Maar bijna zeker omdat ik te verlegen ben bij zo een mooie verschijning, loop ik gewoon door.

Op de fiets voorbij Lutje Rusland op de lange verlaten weg naar mijn dorp besef ik pas wat ze heeft gezegd. Peter. Zonder dat ik het merk trap ik niet meer. ‘Peter!!! Verdomd. Mijn broer. Ze heeft me verward met mijn broer. Mijn tweelingbroer’. Dik een jaar eerder leerde ik mijn eeneiige tweelingbroer kennen waarvan ik daarvoor het bestaan nooit heb geweten.

We monsterden elkaar en zagen de onmiskenbare gelijkenis. We bevroegen elkaar over school, voetbal en muziek. Een echt gesprek kwam er niet. Ook het jaar daarna bleef het bij één telefoontje. Het weten van een broer was er wel maar het besef niet.

Die kwam op die lange weg richting huis. Een trein reed voorbij. Niet een broer. Nee! Mijn broer. Mijn enige broer. Mijn tweelingbroer. Ik was er vol van doordrongen. In dat ene ogenblik. Door die ene zin. Die luttele woorden. M’n broer en ik hebben het vaak over haar gehad. Wie zou het toch geweest zijn? Ik heb broer nog vaak gevraagd of een meisje en later een vrouw hem er over had aangesproken. Nooit. Wel kwamen we er zo achter dat we in onze jeugd elkaar ongemerkt vaak gekruist hebben tijdens de Oldambtrit. Hij startte in Termunten. Ik in Scheemda. Heel veel later gingen we samen schaatsen. Hij bleek precies diezelfde aparte slag te hebben. Hij voorop. Ik in zijn slag. Op het Damsterdiep. Op de Westerwoldse Aa. Op het Oldambtmeer. Immer kwamen we er weer op.

Op het meisje van de Oldambtrit.

Erik Hulsegge

Dertig jaar later, herinner ik me dat moment nog als de dag van gister. Dat ene enthousiaste zinnetje. Waar zou ze toch gebleven zijn?? Héél misschien leest ze dit wel. Ik zou tegen haar willen zeggen: Nog bedankt en sorry dat ik zo maar doorliep.

bron: De Oldambtrit 1954 - 1996 (Harm Kuper)
Meer over dit onderwerp:
blogs opinie columns
Deel dit artikel:

Recent nieuws