Column: Een Lucasje

‘Je hoeft niet verdrietig zijn. Ik heb een mooi leven gehad’. Twee korte simpele zinnetjes. Een credo van het bestaan. De man die ze uitspreekt is mijn vader. Met glanzende ogen zegt hij het. Zijn hoofd met verwarde witte haren ligt in het kussen van het ziekenhuisbed, kamer 324 afdeling Oost 3.
In zijn hoofd is hij er wel klaar mee. Zijn lijf wil niet meer. Gepijnigd door het gebrek aan weerstand. Gepijnigd door wat hem is overkomen. Gepijnigd door een gebrek aan licht aan het eind van de tunnel. Zijn ogen en mond spreken heldere taal. Het is voorbij. Ik weet niks te zeggen. Het gezicht van Lientje aan de andere kant van het bed staat verdrietig.
Ik denk met hem mee. ’Ik praat morgen wel even met de arts’, zeg ik. Hij knikt. Waar heb je het dan verder over? Pa begint over hoe het moet met de begrafenis. ‘Geen gedoe. Geen poespas’. Ik zie de beelden al voor me. Ik bedenk dat ik ook een speech ga houden. Ik zoek in mijn herinnering naar de momenten van mijn vader. Mijn vader langs een mistig voetbalveld kijkend naar zijn zoon. Ik zie hem staan.
‘Wilt u nog wat drinken mijnheer Hulsegge?’ Het is de zuster met blonde bobline die langskomt met het karretje met koffie, thee en limonade. Pa die in gedachten was verzonken, kijkt op. ‘Wat lekkers!’, zegt ie met een flauw lachje op zijn mond.’ Jenever zeker’, zegt de zuster. Pa schudt meewarig zijn hoofd.
Al jaren drinkt hij zijn kopstootje niet meer. Ik had al die jaren graag een borreltje met hem gedronken maar jenever is niks voor mij. Ik ben er tijdens Oud en Nieuw aan het eind van mijn jeugd van genezen.
In de jeugdsoos van mijn dorp was diep in de Oudejaarsnacht het bier op. Met een klap kwam de volle fles jenever op de bar. ‘Dit doent ook wel’, zee Henkie. En hoe. Nog dieper in de Oudejaarsnacht liep ik naar huis. Probeerde te lopen. Ik zakte steeds door mijn benen. Het vreemde was dat ik in mijn hoofd nog wel helder was, maar mijn benen wilden gewoon niet meer. Hoe dichter ik bij ons huis kwam des te erger het werd. De laatste honderd meter kroop ik op mijn knieën over het voetpad voorbij de slager en buurman Knelis.
Ik was het vlees geworden Groningse gezegde ‘Op knijen in hoes kommen’. Daarna raakte ik de jenever nooit meer aan. Mijn vader heeft het denk ik nooit geweten. Plotseling schaam ik me voor wat ik denk. Niet alleen voor mijn pa maar ook voor de vrouw die naast mijn vader ligt. Zij heeft geen onderbeen en geen voet meer. Zij kan niet kruipen zoals ik deed. Ze leunt zittend in bed voorover om de pijn in haar overgebleven ledematen te verzachten.
“Ik heb wel wat veur joe’, zegt de zuster tegen mijn vader. ’n Lucasje’. Mijn vader, Lientje en ik kijken haar nieuwsgierig aan. Een lucasje? Ze legt uit dat het een mix is van appelsap en sinaasappelsap. De naam van het sapje is een overblijfsel van vervlogen tijden. ‘Zo nuimden wie dat altied in t Sint Lucas’. Lucas was altijd de naam van het ziekenhuis dat nu heel modern OZG heet. In de volksmond heet het ziekenhuis nog steeds Sint Lucas. Dat is ook niet raar omdat Sint Lucas de patroonheilige is van de artsen.
Maar het ziekenhuis is helemaal niet vernoemd naar de heilige Lucas maar naar Lucas Fleerkamp. Een Winschoter ondernemer met een goed hart. De woninginrichter doneerde bijna een eeuw geleden net als zijn broer Mattheus flink geld voor de bouw van een ziekenhuis. En omdat Lucas iets meer geld schonk dan zijn broer, kreeg de stichting voor het Winschoter ziekenhuis de naam Lucas. Het Stichting Lucasziekenhuis. St. Lucas ziekenhuis. Het ST-punt werd al gauw Sint in de volksmond. Zelfs voor de zusters in het ziekenhuis is het nog immer gewoon Sint Lucas.
Mijn vader drinkt zijn Lucasje in zijn drinkbeker met rietje met smaak. De volgende morgen heb ik een gesprek met de arts. Het valt allemaal nog wel een beetje mee. Ik krijg weer hoop en breng de hoop over aan mijn vader, die opmerkelijk monter is. Hij mag de volgende dag weer naar huis.
Die avond komt tijdens ons bezoek een andere zuster met koffie thee en limonade. ‘Wat wilt u drinken mijnheer Hulsegge?’ ‘Wat lekkers!’, zegt mijn vader gretig. ‘Den wait ik wel wat. Joe kriegen n Lucasje'. Drie tellen later drinkt mijn vader gulzig zijn Lucasje. Als hij de beker leeg heeft krijgen we het over auto’s. ‘t zou mooi zijn als ik nog een keertje een ritje kan maken’. Lientje en ik kijken elkaar veelbetekenend aan. Zo, dat gaat goed. Die avond doen we boodschappen in de supermarkt, ook voor mijn moeder dan heeft zij een zorg minder. Als we bijna bij de kassa zijn, stuurt Lientje me terug naar de groenteafdeling. Ze is een kleine prei vergeten voor in de kippensoep.
Ik keer terug met een fijn klein preitje in de hand en een zak chocoladepinda’s in de andere. Lientje staat al met karretje bij de kassa. Met het puntje van haar tong uit de mond laadt ze de band vol. Ik leg de prei en de pinda's er ook bij. Ik zie wel heel veel pakken frisdrank. Zeker van de vrouw voor ons, denk ik. Ik kijk nog es. Ze staan toch echt aan onze kant van het beurtbalkje. Ik kijk nog eens een keer goed.
Op de band staan keurig in gelid. Vier pakken sinaasappelsap en vier pakken appelsap.
De laiverd.

Erik Hulsegge