Column: Mijn moeder schrijft een afscheidsbrief

Op de kleine zwart-wit foto staan twee kinderen, capuchon op, sjaal stevig om de nek, naast een vormeloze sneeuwklomp. Het is winter 1963. Ik ben vier, mijn broer is zes en we hebben net voor het eerst in ons leven een sneeuwpop gemaakt. Met glunderende koppies kijken we in de camera.
Mijn moeder en ik zijn foto's aan het sorteren. Zij wil ze alvast verdelen in drie stapels, voor mijn broer, mijn zus en mij, 'zodat jullie ze later niet meer hoeven uitzoeken.'
De meeste foto's ken ik wel, maar deze niet.

'Is dit een foto van jou en papa? Hoe oud waren jullie toen?'

Mijn moeder bestudeert het plaatje. 'Ik was 16 en Hans 18 denk ik.'

'Jullie zien er gelukkig uit', zeg ik. 'Hoe had je hem eigenlijk leren kennen? Hij woonde toch in een ander dorp?'

Mijn moeder begint te stralen.

'Ik zat in de bus van Noordwolde naar Boijl en hij stapte ook in. Vlak na de oorlog was dat. Hij zong een liedje dat je toen vaak hoorde op de radio: Tea for Two. Of hij neuriede dat denk ik, want Engels kon hij niet. Ik vond hem leuk, vrolijk. En hij keek naar mij.'

'Dat klinkt als liefde op het eerste gezicht, mam. Waarom ben je niet meteen met hem getrouwd? Waarom eerst met Willem?'
Willem is mijn echte vader, ik kan me hem niet herinneren. Hij kreeg op jonge leeftijd kanker en overleed in de zomer van datzelfde jaar 1963. Daarna is mijn moeder alsnog getrouwd met haar jeugdliefde, die ik altijd papa heb genoemd.
'Het mocht niet van mijn ouders,' zegt mijn moeder. 'Ze vonden Hans een praatjesmaker, niet serieus genoeg. Bovendien was hij naar Amsterdam vertrokken voor werk en dat vonden ze zielig voor mij. Omdat ik hem daardoor bijna nooit zag.'
Mijn moeder kijkt naar buiten waar een meeuw op ooghoogte voorbij zeilt.
'Ze hebben me op den duur gedwongen een afscheidsbrief te schrijven.'
'Echt waar? Hoe ging dat dan?'
'Nou, ze gingen met mij aan tafel zitten en ik moest schrijven dat ik het uitmaakte. Dat heb ik gedaan, met tranen in de ogen.'
Toen mijn moeder er in 1963 alleen voor kwam te staan, bood deze losbol uit Amsterdam aan voor haar en haar twee kinderen te zorgen en dat heeft hij de rest van zijn leven gedaan. Een paar jaar geleden is ook hij overleden.
We drinken een kop koffie en gaan verder met uitzoeken. We belanden bij de kleurenfoto's en ik blijf wat langer kijken naar deze, uit de winter van 1965. Ik zit op de bank, mijn broer staat erachter, in mijn armen een baby: ons nieuwe zusje.

Alice Buitenga schrijft elke vrijdag over haar 84-jarige moeder, die in een aanleunflat ergens in de provincie Groningen woont.