Column: Kaasschaaf

© RTV Noord
We zijn een zomer in Groningen. Alma en Giovanni zijn een weekje bij ons. En Alma wil graag naar de markt. Alleen.
Ik kijk haar bezorgd aan. Ze spreekt geen woord Nederlands. Laat staan Grunnegs. 'Con calma!' Ze redt zich wel besluit ze, en vertrekt resoluut richting Vismarkt. 'Het is een soort Wonderland voor haar', probeert Roberto me gerust te stellen. Ik trek mijn wenkbrauwen op, neem een slok koffie en richt mijn aandacht weer op de krant.
Binnen een kwartier rinkelt de telefoon van Roberto. Het is Alma. 'Waar is de vis? Ik zie alleen maar groente en fruit.' Ze staat verward met het zakwoordenboek bij het bordje 'Vismarkt'. Roberto zucht. 'Als je vanaf het grote gebouw met de pilaren het rechterpad neemt kom je vanzelf de vis tegen.' Vijf minuten later opnieuw telefoon. 'Is die vis echt vers? De dorade ook?' Tien minuten later 'Is kaas ook echt Groningse kaas?' Als ze een half uur weg is 'Wat is nagelkaas? Daar zitten toch geen koeienagels in?' Roberto knipoogt naar me. 'Mam, is het niet handiger dat Marc even jouw kant op komt?' Stilte. 'No no no dat is echt niet nodig' hoor ik haar antwoorden, met iets van twijfel in haar stem, en ze verbreekt de verbinding.
Een kwartier later opnieuw telefoon. 'Die vrouw zegt iets over contactloos? Hoezo contactloos? Wat is dat? Bedoelt ze betalen? Is dat wel veilig?' Contactloos betalen kennen ze nog niet overal in Italië beseft ook Roberto zich, en bromt via de telefoon van zijn moeder wat tegen de verkoopster. Na een hoop geouwehoer met een hoorbaar geërgerde verkoopster, die al een kwartier bezig is om Alma voor vijftig cent aan rozemarijn te verkopen, wordt de verbinding opnieuw verbroken. Ik besluit toch maar even op de fiets te springen. Nadat ik die bij de Korenbeurs op slot heb gezet maak ik snel een rondje over de Vismarkt. Ondertussen probeer ik mijn schoonmoeder te bellen, maar die neemt niet op. Na een kwartier bel ik voor de zekerheid Roberto maar even. 'Ze is al weer thuis' lacht die vrolijk in de telefoon.
Trots toont Alma haar koopwaar. 'Alles zelf gekocht.' Na vijf minuten liggen de rozemarijn, dorade, vers brood, een pond nagelkaas en een kaasschaaf te pronken op onze keukentafel. 'En nu?' vraag ik voorzichtig. Want ze vertrekken morgen. 'Dit is voor jullie natuurlijk! Behalve mijn kaasmes' wijst ze richting het platte oerhollandse ding, 'die heb ik in Italië nog nooit gezien.'
Als we een maand later terug in Genua op een dag uitbuiken van de lunch, biedt Giovanni ons een stuk kaas aan als nagerecht. Roberto bedankt, maar ik wil wel. Hij sloft naar de koelkast, pakt de kaas, opent het ritselpapiertje, neemt de kaasschaaf in zijn hand en zet het ding met grote druk en een rood hoofd dwars in de kaas. Als een mes. Moeizaam lukt het hem een lelijk scheef hoekje af te snijden. 'Dat strontding! Hij is hartstikke stomp!' roept Alma vanachter het fornuis. Roberto en ik kijken elkaar even aan en barsten in lachen uit. 'Het is een kaas-schááf. Schááf!' roept Roberto en doet zijn pa voor hoe je het ding gebruikt. Verbaasd kijkt Alma toe. 'Oh dáár is dat strookje voor. Een plákje kaas? Plákje?' Hoofdschuddend gaat ze zitten. 'Echt álles bij jullie is plat.' 'Nee plák' verbeter ik haar. En ze kan er niet om lachen.

Marc Wiers

Marc is altied onderwegens tussen Genua (Italië), Straatsburg (Frankrijk) en Groningen. Wat hij onderweg tegenkomt, vertelt hij hier elke maandag. Volg Marc op Twitter