Column: Sinterklaas

Het stormt in Groningen. Ik fiets tegen de striemende regen in, op weg naar het centrum. Roberto zit vloekend in amazonezit achterop. Tussen zijn benen heeft hij de staf geklemd.

Eigenlijk is zijn maillot te groot. Het kruis hangt ergens ter hoogte van zijn knieën. De schmink loopt uit. De rode lippenstift ook. Zijn baret houdt hij met zijn vrije hand tegen, zodat de wind hem niet wegrukt. Mijn mijter hangt scheef over mijn natte pruik. De tabbert zwiept onhandig langs de spaken van het voorwiel. 'Waarom hebben we ons bij die verhuurder eigenlijk omgekleed?', mompert mijn man. Uitbundig toeterende auto's halen ons vrolijk in. Verbaasde kinderen wijzen ons huilend na.

Het is oktober. We zijn als Sinterklaas en Zwarte Piet op weg naar het Halloweenfeest van Roberto's collega Melissa. De Amerikaanse had voor haar feest alle internationale collega's gevraagd zich volgens een echte lokale traditie te verkleden. Er schijnen Poolse heksen, Griekse tovenaars en Ierse trollen onderweg te zijn. En twee idioot geklede dertigers op een fiets. De verhuurder had ons drie keer gevraagd of we ons niet in de datum vergisten. 'Neehee!', had Roberto hem met rollende ogen geantwoord. Uiteindelijk mochten we komen om ons ter plekke te laten schminken en om te kleden. Tegen een zacht prijsje. Het was nog laagseizoen, had 'ie verward gemompeld.

Melissa had een bovenzaaltje in een kroeg in de Gelkingestraat geregeld. 'The Wit Boys' had ze op het laatste moment aan iedereen ge-sms't. Ik schat in dat ze De Jongens van De Witt bedoelt. Bij de stoplichten van het Europaplein komt een Arrivabus langzaam tot stilstand. De chauffeur kijkt ons grijnzend aan. Hij lijkt iets over Sint Maarten te roepen, en iets van 'te vroeg' en 'lampions'. Ik haal mijn schouders op. Roberto kijkt beschaamd de andere kant op. In mijn ooghoek zie ik de passagiers ons vol leedvermaak aankijken. Als ik achter me graai om ze met de staf woedend toe te wuiven, rijdt de bus net weg. 'Houd je in!', sist Roberto. Het stoplicht springt weer op groen.

In de Gelkingestraat zet ik de fiets in een steegje op slot. Volledig natgeregend stappen we als twee bezopen katten de warme vochtige kroeg binnen. In de bar beneden kunnen we onze kont niet keren. Honderd hoofden draaien om als we door de piepende en krakende deur een vreemd gezelschap binnenstappen. Geamuseerd begint een clubje halfdronken studenten voorzichtig te zingen. 'Sinterklaasje kom maar binnen veel te vroeg, want we zitten klaar in deze kroeg!', lalt een lolbroek, half staand op zijn kruk met zijn handen als een dirigent in de lucht, opzwepend boven de rest uit.

Verbolgen wurmen we ons door de massa richting trap, helemaal achterin de hoek. 'Ik doe dit nóóóóit weer!', brom ik chagrijnig tegen mijn man. Zijn blik staat op onweer. Ik struikel half over de natte tabbert die loodzwaar tussen mijn benen hangt en stoot mijn hoofd tegen de plastic nepgouden staf. Er wordt weer gelachen achter ons. Ik weet niet of het hierdoor is. 'Shit!! Ik heb de lichten van de fiets aangelaten!', bijt ik Roberto toe, die me onverbiddelijk naar boven duwt. Daar zien we door het gelige licht, achter de beslagen ramen in een deur, vaagjes de silhouetten van onze groep collega's. We horen gelach en muziek. Het lijkt er nogal gezellig te zijn. Binnen een paar seconden verdwijnt ons chagrijn. Ik kijk mijn man lachend en vragend aan, of 'ie er klaar voor is. Hij knikt enthousiast. Ik leg mijn hand op de klink. Roberto grijpt in zijn zak in de natte brij pepernoten, en ik zwiep de deur open. 'Zijn hier nog stoute kinderen?', brul ik zo goed en zo kwaad als het kan, terwijl langs mij een paar klonten vochtig snoepgoed de zaal in vliegen.

En valt een doodse stilte. Vijftien volslagen onbekende bejaarden, aan een lange tafel met allemaal een kippenpoot in de hand, kijken ons verbijsterd aan. En barsten allemaal in joelen uit. Ondertussen trilt en piept mijn telefoon. Blozend kijk ik op het scherm. Een bericht van Melissa. Waar we blijven met de 'peppernuts.' En zie dan een bericht dat ze eerder vanmiddag had verstuurd. Toen wij ons nog op de fiets door de regen stampten. 'Pub was already booked.' En daarachter de naam van de kroeg waar het hele zwikje op ons wacht. Tweehonderd meter verderop.

Marc Wiers

Marc is altied onderwegens tussen Genua (Italië), Straatsburg (Frankrijk) en Groningen. Wat hij onderweg tegenkomt vertelt hij hier elke maandag. Volg Marc op Twitter.

Meer over dit onderwerp:
columns
Deel dit artikel:

Recent nieuws