Column: Bontjas

Ze rijdt zelf haar ouwe zwaar beschadigde Lancia Ypsilon nog door onze wijk. Komt regelmatig bij ons om de hoek inparkeren. Stapt moeizaam uit, klikt haar oude, kalende keffertje aan de lijn, en schuifelt dan in bontjas en op versleten schoenen traag de winkelstraatjes in.

Die bontjas heeft ze altijd aan. Hoe snikheet het ook is. Haar stappen zijn onzeker. Haar gebaren bedachtzaam. Maar haar blik is zeker. Streng bijna. Ik tik Roberto glimlachend op z'n arm als ze weer eens voorbij komt. Dat doen meer mensen. Soms ziet ze dat. Deze keer ook.

Ze blijft staan, kijkt me recht aan, en loopt zonder blikken of blozen op ons af. 'Mensen nawijzen is onbeleefd jongeman.' Zonder mijn reactie af te wachten draait ze zich om en loopt weer weg. Haar keffertje blijft staan en kijkt me woest aan. Ze trekt het beest mee, dat zich eerst uit alle macht met zijn vier korte pootjes probeert te verzetten tegen haar taaie trekkracht, maar geeft uiteindelijk toe en haalt haar kwispelend weer in.

In die twee seconden zie ik haar eens van dichtbij. Haar gezicht is oud en diepgerimpeld, en volgeplamuurd met foundation, felrode lippenstift en rouge. Op de plek waar vroeger waarschijnlijk haar wenkbrauwen zaten, zit nu een geverfde streep. Gevoelloze ogen zijn omringd door wimpers met zwarte klodders mascara. Haar parfum houdt het midden tussen Chanel, de geur van mottenballen, koffie en kleding die al jaren niet gewassen is, en een schrale oude zweetlucht. Haar bontjas is versleten. Haar gouden oorbellen hebben hun glans verloren. Het hondje heeft kale plekken. En de hakken onder haar schoenen zijn aangevreten door de vele wandelingen over de keien van Genua.

'Matilda heet ze,' weet Alma later aan de eettafel. 'Ze is de schoondochter van de vroegere herenboer bovenop de heuvel.' Ik knik. Wij hadden ze ook. De herenboeren. Ik herinner me de verhalen van opa en oma Keizer uit Siddeburen. Over de winters waarin arbeiders het zonder werk en loon maar moesten uitzoeken, de opkomst van het communisme, Sicco Mansholt. 'Jullie hadden daar in het noorden de graanrepubliek. Wij de olijvenelite. Haar man kwam uit zo'n steenrijke familie. Zij uit een gezin van havenarbeiders. Toen ze trouwden is ze door haar familie uitgekotst. Haar schoonfamilie keek haar ook met de nek aan.' Ik schud mijn hoofd. 'De rijkdom was van korte duur. Die schoonfamilie van haar heeft door erfenisruzies en bonnetjesaffaires binnen een generatie alles verloren. Ze hebben nog een paar jaar geprobeerd de schone schijn op te houden met geleasede limousines, grote huurhuizen en oogstfeesten op het bedrijfsterrein. Maar zelfs daar hadden ze uiteindelijk geen geld meer voor. Alles op. Weg welstand.'

'De kinderen van Matilda waren snel tevreden met hun huurflatjes. Zij niet. Ze fluisteren in de wijk dat ze het nog altijd niet kan verkroppen, dat ze geen bedienend personeel meer heeft, haar autootje niet kan inruilen en zelf haar boodschappen moet halen. En dat haar kinderen haar onderhouden,' besluit Alma met een traan in haar oog. Ik vraag waarom het haar zo raakt. 'Matilda kon na haar huwelijk maar moeilijk wennen aan de poeha van haar nieuwe schoonfamilie. Ze genoot van de mooie dingen, maar wist nauwelijks vriendschappen te sluiten met die kille afstandelijke wijven. Ondertussen had ze steeds minder contact met haar oude vriendinnen hier uit de wijk. We zagen haar wegkwijnen in die eenzaamheid. Maar ze weigerde elke hulp.'

Alma schenkt zich wat water in, en neemt een slok. 'Vlak na het faillissement overleed haar man door een auto-ongeluk. Ze werd als een zwerfkat op straat geschopt. Radeloos zocht ze haar oude vriendinnen op. Die waren inmiddels van haar vervreemd. Uiteindelijk kon ze een paar maanden bij haar dochter terecht. Haar kinderen vonden voor haar een flatje bovenin de wijk...'

Alma staart even naar het tafelkleed. 'Bij het faillissement hebben ze alles moeten inleveren. Op een zomerdag hebben ze het grote familiehuis leeggehaald. Ook toen had ze die bontjas aan. De politievrouw die haar uit die jas probeerde te sjorren heeft ze hysterisch een enorme oplawaai verkocht. Toen moest ze voor de rechter verschijnen.'

Verbaasd kijk ik mijn schoonmoeder aan. 'Ze schijnt huilend te hebben verteld dat die jas niet van haar schoonfamilie was. Maar van haar oude lieve omaatje. Het was het enige dat haar nog warmte gaf na al die ellende... De rechter had haar ontroerd de jas toegekend. En die heeft ze dus sindsdien elke dag aan.'

Het waren geen gevoelloze ogen die ik had gezien. Het was de trieste, uitgedoofde blik van een oud vrouwtje dat bijna geen liefde in haar leven heeft gekend. Behalve die van haar oma. Met die bontjas.

Marc Wiers

Marc is altied onderwegens tussen Genua (Italië), Straatsburg (Frankrijk) en Groningen. Wat hij onderweg tegenkomt vertelt hij hier elke maandag. Volg Marc op Twitter.

Meer over dit onderwerp:
columns GRONINGEN
Deel dit artikel:

Recent nieuws