Column: De zilte geur van het zeewater

Op haar ziekbed had ze een pen en een schriftje gepakt. Ze was zo maar ergens begonnen. Begonnen in haar onbezorgde jeugd. In het huisje aan de dijk. Het huisje dat die nacht in de golven verdween.

De nacht van 1 februari. De nacht van de watersnoodramp van 1953.

Ze had samen met haar broertje en zusje in de bedstee gelegen. De wind gierde om het huis. Zo hard dat ze niet konden slapen. Drie paar kinderogen staarden in het donker. In het geluid van de storm hoorde ze de stemmen van vader en moeder. Ongeruste stemmen.

Ze was toch nog een beetje ingedommeld. Plotseling schrok ze wakker van gebonk op de deur. 'Wakker worden!! Het water komt. Jullie moeten weg. Nu!!' Meteen daarna stond moeder in de kamer. Zwijgend, met bonzend hart hadden ze zich aangekleed.

Haar vader had ze niet gezien. 'Die is de paarden halen', had moeder gezegd. Weer was een man bij de deur gekomen. 'Opschieten mevrouw, voordat het te laat is. De boot vertrekt!' Moeder had geknikt. Ze had zenuwachtig nog een rondje door de kamer en de keuken gemaakt. 'Papa komt zo'. Angst in haar stem en in haar gezicht.

'Kom we gaan'. Haar vader stond plotseling met zijn grote, stevige lijf in de deur en had haar broertje op zijn arm genomen. Met z'n vijven konden ze in de storm amper op de been blijven. Ze konden er nog net bij op de volle boot. De golven beukten tegen het schip. Ze zou de zure lucht van overgevende mensen nooit meer vergeten.

In Middelharnis belandden ze in de sporthal met heel veel andere ontredderde vaders, moeders en huilende kinderen.

De dag erna was de ontreddering nog groter bij het verschrikkelijke nieuws. Hun huis was weg. Compleet weg. Met al hun kleren, speelgoed en foto's. Weggespoeld. Vader had – wat-ie nooit deed – hardop gevloekt. Moeder had uren niets gezegd.

Hoe langer de dag duurde, hoe erger het werd. De nachtmerrie werd nog vele malen erger. Opa en oma Stellendam waren verdronken. Weggevaagd door de golven. Ze waren al op weg geweest, maar ze waren het geldkistje met hun spaarcenten vergeten.

Opa ging het halen. Het werd ze noodlottig, de dijk verdween met boerderij en al in de golven. Haar nichtje met de baby, die net die week over waren gekomen uit Canada, had nog geprobeerd zich te redden door in een boom te klimmen. Haar nichtje had eerst het kind moeten afstaan aan het water en toen was ze zelf, vastgeklemd aan een tak, kopje onder gegaan.

Ook was ze drie schoolvriendinnetjes verloren, hoorde ze pas toen ze al was ondergebracht in een gastgezin in Rotterdam, weg van haar broertje en zusje, weg van vader en moeder, die even teveel aan zichzelf hadden.

Een meisje van zeventien moest het zelf zien te rooien. Een dorpskind met een trauma dat in enkele verschrikkelijke uren de volwassenheid was binnengestormd. Op haar ziekbed, waarvan ze moegestreden wist dat het haar sterfbed was, schreef ze verder over de verhuizing van de familie naar de Noordoostpolder, haar eerste afspraakje met de knappe Groninger uit de krantenadvertentie. De advertentie waar haar zusje het eerst op had gereageerd. Die zag hem niet zitten, maar zij wel.

Zo was ze in het Groninger Westerkwartier terechtgekomen. In het dorp met een molen en een kanaal was ze in een klein huis vlakbij de bakkerij beland. Een vruchtbaar huisje. Een handvol dochters kreeg ze met hem, de oer-nuchtere Groninger.

Die zijn hoofd schudde bij de angst van zijn vrouw met onweer, dat ze haar dochters uit bed haalde en onder tafel liet schuilen, dat zij - die nooit kon zwemmen - haar dochters in het zwembad moest achterlaten, dat ze op haar ziekbed nog een overlevingspakket met een zaklantaarn, water, koekjes en een paar familiefoto's liet maken, voor het geval er een enorme aardbeving zou komen.

Stiekem had ze altijd terug gewild, verlangd naar de zilte geur van het zeewater, verlangd naar de Zeeuwse kust, naar haar Zeeland. Zo ver is het nooit gekomen. Ze stierf in het dorp met een molen en het kanaal in het Westerkwartier.

Afgelopen donderdag stonden haar Groningse dochters en een kleindochter in Stellendam. Bij de herdenking van de Watersnoodramp, nu 65 jaar geleden. Bij het monument ter nagedachtenis aan alle slachtoffers. Een moeder met haar kind aan de arm, vluchtend voor de aanstormende golven.

Een meisje met haar lange blonde haren verstopt onder een capuchon ziet tranen in de ogen van haar moeder en tantes.

Zonder iets te zeggen legt ze haar hand in die van haar moeder.

Erik Hulsegge

Meer over dit onderwerp:
blogs columns Stellendam
Deel dit artikel:

Recent nieuws