Column: Sport verbroedert

Als Groningers hebben we de komende weken geluk, want we hoeven geen kostbare uren te verspillen aan de Olympische Winterspelen. Er doet namelijk geen enkele Groninger mee. Nou ja, vooruit, een ex-bobsleeër uit Gasselternijveenschemond is coach van het Chinese bobsleeteam.

Onze provincie was afgelopen week nota bene koploper in allerlei rijtjes en klassementjes. De huizen zijn nergens zo goedkoop als in Delfzijl of Pekela. Nergens zitten zoveel mensen met griep thuis als hier, terwijl Groningers niet bekend staan als simulanten of aanstellers. Groningers klagen niet. En dat maakt het weer des te verrassender dat ze ook nog altijd het vaakst zelfmoord plegen. Maximaal één keer per persoon natuurlijk, maar dat doen dan wel bijna vijftien op de honderdduizend inwoners. Misschien komt dat juist omdát we niet mogen klagen van onszelf, maar het ligt ongetwijfeld ook aan het noordelijke klimaat (in Finland ligt het percentage namelijk nóg hoger), dat altijd net wat kouder en besneeuwder is dan de rest van Nederland.

Maar waar de Finnen dan maar massaal gaan skiën en schansspringen, wellicht ook bij wijze van kamikaze, daar wist Groningen in de afgelopen jaren blijkbaar niet te profiteren van het slechtere weer. We zijn niet in staat om snel sleetje te rijden, te jeu de boulen op ijs, met zo'n mooie granieten poef, en we hebben ook geen ijshockeyers, ijsdansers en biathleten voortgebracht. Twintig jaar geleden hadden we Marianne Timmer nog, toen was alles nog goed, maar we zullen zeker vier jaar moeten wachten op de doorbraak van schaatsers als Dai Dai Ntab en Bo van der Werff. We moeten dan wel ophouden met schaatsen 'scheuvelen' te noemen. Scheuvelen, een werkwoord met een iteratief karakter en dan ook nog eens met die slome eu van treuzelen, neuzelen, zeur en dreuzel. Snel scheuvelen klinkt net zo onwaarschijnlijk als hard hobbelen of driftig dribbelen.

Voor Groningers die niet buitensporig van sport houden is er de komende weken olympischerwijs dus weinig te genieten. Die kunnen eindelijk ervaren hoe heerlijk het is om uren per dag over te houden, waarin de buren glazig naar de halve finale van de vrije kür in het kunstschaatsen zitten te staren. Uren waarin je ook Elsschot kunt herlezen, Fins kunt leren, een troostrijke brief kunt schrijven aan een zelfmoordkandidaat uit je omgeving, of eindelijk eens dat handdoekenrekje ophangen. Of je nog eens lekker omdraaien in bed. Je moet tenslotte wel erg van sport houden om de verrichtingen van een plukje singuliere rodelaars in Pyeongchang te volgen. Sleetjerijden mag dan hun levenswerk en raison d'être zijn, dat betekent nog niet dat wij er naar hoeven te kijken.

Maar we genieten toch allemaal van het schaatsen? Zeker. Als de tien kilometer begint schuift zelfs de grootste sporthater zijn Kleine Finse Grammatica terzijde, en zetten ook Groningers hun televisie aan. We zetten ons over onze regiopatriottisme heen en juichen voor Sven, Ireen en Sjinkie. Komen niet van hier, maar je moet toch voor iemand zijn als je sport kijkt, anders heb je net zo weinig 'beleving' als bij een documentaire over pinguïns. We moeten we ons de komende weken weer Nederlander voelen, na weken waarin we, met al die gastoestanden, toch vooral Groninger waren. Als Sven Kramer wint, zijn we net zo blij als die lui uit de Randstad die ons als wingewest behandelen. Sport verbroedert. En we juichen natuurlijk ook een beetje als het Chinese bobsleeteam een medaille wint. Want die zijn een heel klein beetje van ons.

Willem van Reijendam

Meer over dit onderwerp:
columns
Deel dit artikel:

Recent nieuws