Column: Seksbos

Sneeuwvlokjes dansen in de lucht. Dat is gek want het is vrij helder met een flauw zonnetje. Er ligt een deken van stilte over het bos. Ik ben er naar toe gereden uit nieuwsgierigheid. Om te kijken hoe het is. Of het zo is.

Ik sta nog op het parkeerplaatsje als in de verte een ruw geluid de stilte verbreekt. Alsof een boom door een gehaktmolen wordt geduwd. Ik vlij een zwarte muts op mijn hoofd en monster twee auto's die naast de mijne staan. Een bestelautootje en een doorsnee Franse wagen.

Nog voor de dwarsbalk om auto's te weren en het groene bord van Staatsbosbeheer, zie ik een leeg groenblauw pakje condooms van het bekende merk liggen. In de bosrand gekreukte bierblikjes, verfrommelde witte zakdoekjes, een Tictac-doosje en een verbrande tuinstoel.

Ik loop het stenen pad af richting bos en de grote plas en zie de contouren waar ooit een parkeerplaats was. Je kon er je auto neerzetten aan de rand van het water bij de immense vissteiger. De steiger is evenals de parkeerplek verdwenen. Ik snuif de geur van de winter. Ik voel het gevoel van mijn jeugd. Hier speelde ik als kleine rooie met Japie, Johnnie, Henkie en Appie.

Met bamboehengel in de hand en viskoffer op de 'pakjedrager' fietsten wij zomers naar het bos. In het glasheldere water van de plas kon je de brasems, rietvoorns en roodbaarsjes zien zwemmen. Als ze zich in het ondiepe water langs de kant koesterden in de zon, hengelden wij voorzichtig een wurm of een stukje brood voor hun neus. Een garantie voor beet.

Als de vissen geen heil zagen in ons meegebrachte voer doken we zelf het water in. s' Winters schaatsten we op hetzelfde water. Het was er veel groter dan de gracht van boer Ten Have. Ik kan me zelfs wedstrijden herinneren, ik meen van de voetbalclub. Een paar pionnetjes op het ijs en zo hard als je kon.

Het ijs was in het romantisch beeld van mijn jeugd immer donkerzwart, glad als een spiegel. Nu niet, de ijsvloer is wit uitgeslagen. De walkanten die ooit scherp waren afgestoken met een beschoeiing, lopen nu langzaam over in het ijs. Bomen zijn de nog zichtbare grens van land en water.

Vanaf het parkeerplaatsje komt een man mijn richting oplopen. Hij is klein van stuk met wit haar. Hem zag ik net nog lopen in het stuk bos aan de andere kant van de weg. Dat heeft ie knap snel gedaan, denk ik. Hij scharrelt wat rond bij een picknicktafel en keert dan terug naar het pad richting parkeerplaatsje.

Helemaal aan de overkant van de bevroren plas zie ik ook iemand lopen. Aan de mimiek zie ik dat het een man is. Op de achtergrond het gehaktmolengeluid.

Het heeft iets unheimisch. Maar misschien is het wel omdat ik weet wat ik weet. Dat ik weet dat het bos een homo-ontmoetingsplaats is.

Het bos van mijn jeugd is besmet geraakt. Is bij de buurtbewoners, in de krant en bij ons op Noord een seksbos geworden. Gekrakeel over mannenrecreatie. Ik sta langs de vijver en voel denk ik wat de mensen voelen. Unheimisch. Ik wil het gevoel verdringen en kies het bospad voor een rondje rond de plas, wat ik vroeger ook gewoon deed met Nora, onze Drentse patrijshond.

Ik moet ineens denken aan mijn moeder. Ze waarschuwde mij kleine rooie om niet naar het bos te gaan. Maar ja, dan ging je juist. 'De plas was heel erg diep. Wel twintig meter. Met een draaikolk in het midden', zo ging het verhaal.

Henkie vertelde dat bij de aanleg van het bos en de plas drie jongens uit het dorp verderop waren gestikt onder het uitgegraven zand, toen ze erin aan het spelen waren. Alleen een fiets had boven het zand uitgestoken. Ze waren niet meer levend boven gekomen. Het bos zou nooit meer worden waarvoor het bedoeld was, bezwoer de zonderlinge man van het achterlaantje.

Ik huiver. Abrupt staak ik na amper honderd meter het rondje plas. Ik wil naar huis. Op het parkeerplaatsje zit de man met wit haar in het bestelwagentje. Met draaiende motor heeft ie zijn mobieltje aan zijn oor.

Door het lege land met in de verte de watertoren rij ik via de toeristische route naar huis. Ik mijmer over het bos. Vergeet zelfs de radio aan te zetten. Een treurig gevoel daalt over me neer. De club voor homo-ontmoetingsplaatsen meent dat we niet zo moeilijk moeten doen over mannenrecreatie. En de dorpelingen zeggen 'flikker toch op'.

Ik worstel met een oplossing maar hij komt niet boven. Op het smalle weggetje komt me een wit busje tegemoet. Handhaving staat in blauwe letters op de zijkant. Ik hoef niet te raden waar de man van Handhaving heengaat.

De telefoon gaat. Ik frommel hem uit mijn broekzak. Een collega. 'Zit je goed?' vraagt ze. Ik zit goed. Ze gaat weg bij Noord. Ze wilde het me toch even persoonlijk vertellen. Ze had een dipje gehad en ineens was het boven komen drijven.

'Emergo', zeg ik in het stille niets als mijn collega al lang heeft opgehangen.

Erik Hulsegge


Meer over dit onderwerp:
blogs columns Westerlee
Deel dit artikel:

Recent nieuws