Column: Grote grazers

Wat is er nou dankbaarder dan in de snerpende kou van de afgelopen dagen iets extra's te doen voor de vogeltjes? Je hangt een snoer pinda's op het balkon, een vetbol ernaast, en de hongerige musjes, meesjes en allerlei vage wintergasten komen massaal aangekwetterd.

Tot je je ecologische buurman op de koffie krijgt die gemelijk naar je pindasnoer kijkt en bitst: 'Je moet de natuur gewoon zijn gang laten gaan. Dat bijvoeren is niet goed voor de soort. Als er te weinig voedsel is, gaan de zwakste dieren dood. Dat is de natuur.' En bedremmeld berg je vetbolletjes maar weer op. Het is alleen sterke karakters gegeven om de ecologische buurman de deur uit te werken en toe te voegen: 'Ga jij dan maar gauw weer terug naar die natuur van je.'

Dit principiële debat, op de rand van ruzie, speelt niet alleen op het niveau van de vogeltjes maar afgelopen week ook weer eens op dat van grote grazers. Ook die moeten dood, wat de ecologische buurman betreft. En met hem Staatsbosbeheer, de provincie Flevoland en iedereen die er verstand van heeft. Als we de hongerende edelherten konikpaarden en heckrunderen die rondhangen in de Oostvaardersplassen een plukje hooi aanreiken, verpesten we de cyclus van de natuur die we daar (paradoxaal genoeg) zorgvuldig aangelegd en omheind hebben. En hé, we slachten elke dag zo'n 6000 koeien, dat zijn ook grote grazers, dus niks zielig. Het is gewoon de natuur die je zijn gang moet laten gaan.

Deze oerstrijd tussen gevoel en verstand wordt extra ingewikkeld omdat die grazers zo groot zijn. Een dood vogeltje doe je met droge ogen in de vuilnisbak, maar honderden rottende kadavers van heckrunderen achter de omheining, die zie je wel liggen. Het mag dan bedoeld zijn als een leerzame aankleding van het landschap, maar de dood, het leven zelf dus eigenlijk, wordt wel pijnlijk zichtbaar zo. Meer nog dan bij de dierenfilm van kwart over acht, die ons als kind al leerde dat het heel goed is dat het jachtluipaard die wegvluchtende gazelle te grazen neemt. 'Zien jullie die darmen eruit puilen jongens, dat is nou de natuur. Mooi he? Helemaal niet zielig hoor.'

'Het is de natuur.' 'Je moet de natuur zijn gang laten gaan.' Tuurlijk. Behalve als een man zijn hand op de bil van een vrouwelijke collega legt, dan is dat ineens niet meer de natuur die we zijn gang moeten laten gaan, maar #metoo. Of als de hond des huizes een hapje baby neemt. Hoewel dat in zijn natuur ligt, hebben we daar toch moeite mee. Het vergoelijkende 'Het is de natuur' is blijkbaar een gelegenheidsargument. Bovendien kunnen we als mensen niks goeds verwachten van de natuur, die al honderdduizend jaar onze vijand is en die te allen tijde met kracht bestreden moet worden. Met onkruidverdelger, jachtgeweer en griepprik.

Gelukkig hebben we geen natuur in Nederland, zoals J.C. Bloem honderd jaar geleden al schreef. 'Een stukje bos, ter grootte van een krant.' Alleen die Truman Show voor dieren, daar in Flevoland.

Willem van Reijendam

Meer over dit onderwerp:
columns
Deel dit artikel:

Recent nieuws