Column: Hoop

Mijn gezicht is rood van de ijzige kou als ik door de draaideur de grote hal van het ziekenhuis binnenstap. Op de stenen vloer liggen heel veel kleine plasjes van gesmolten sneeuw van evenzovele schoenen. Ik ga op ziekenbezoek.

Op ziekenbezoek bij Tante Gé. Mijn moeder zei dat ik bij haar langs moest gaan. Tante Gé was niet echt een tante maar de vriendin van mijn moeder. Tante Gé was behalve tante ook een tweede moeder. Ik mocht in het bed van Tante Gé slapen als mijn ouders tot diep in de nacht op visite waren, kreeg op vrijdag gebakken vis of na school warme chocolademelk met een lange vinger.

Bij Tante Gé draaide de deur altijd naar binnen. En nu was ze ziek. Ik had wel eens gehoord van de ziekte. En als ik mijn vader en moeder erover hoorde praten onder het eten, wilde je die ziekte niet hebben. Op een morgen had mijn moeder me ernstig aangekeken. Het kon zijn dat tante Gé niet zo lang meer te leven had. Dat ik vandaag na school even langs het ziekenhuis moest.

Voorzichtig keek ik om de hoek van de kamer. Daar lag ze. De zon scheen op haar bleek gezicht. Alsof ze voelde dat iemand naar haar keek, sloeg ze de ogen open en lachte haar mooie glimlach. Ik nam de zwarte muts van mijn hoofd en liep naar het bed. Met de muts in mijn handen wist ik niets te zeggen.

Tante Gé pakte mijn hand zonder muts en trok me naar zich toe. Met mijn hoofd in haar hals huilde ik dikke tranen. Ze pakte mijn hoofd troostend in haar handen 'Het is al goed jongen'. En met haar slanke vingers veegde ze de tranen van mijn wangen. 'Wat mooi dat je er bent', zei ze met zachte stem.

Ik vroeg, de enige vraag die in me opkwam, maar die ik eigenlijk wilde vermijden, hoe het met haar ging. 'Niet zo goed', zei Tante Gé. Helemaal niet zo goed. In de stilte erna lag het echte antwoord besloten. 'Maar', zei ze toen ik mijn muts weer had opgezet om weg te gaan. 'Er is altijd nog hoop jongen'. Met iets van een flonkering in haar ogen en dezelfde mooie glimlach namen we afscheid. Het laatste wat ik zag van Tante Gé.

Ik was vijftien toen ik voor het eerst geconfronteerd werd met de gevreesde ziekte. Evenzovele jaren later kreeg ik zelf de boodschap.

'U heeft kanker mijnheer Hulsegge'. Ik zat op een bankje in de kamer van de dokter. De dokter zei het toen hij de deur van de kamer achter zich dicht had getrokken. Wat hij daarna heeft gezegd, hoorde ik niet meer. Mijn oren suisden. Watten in mijn hoofd. Benen waren lood. Ik zat daar maar. Op het bankje.

'Binnen drie dagen weten we meer. Maak voor vrijdagmorgen maar een afspraak', zei de dokter toen hij de deur voor me openhield. Die avond ging ik naar de golfbaan. Speelde een rondje van mijn meest geliefde spel. Daarna dronk ik heel veel bier. En lachte alsof ik de dag van mijn leven had. Ik vertelde niemand wat mij die dag was gezegd. Ook Lientje niet.

Op de terugweg naar huis met iets teveel bier in de borst om te mogen rijden, dacht ik aan Tante Gé. Aan haar 'Er is altijd nog hoop, jongen'. Ik klampte me vast aan haar woorden. Drie dagen lang.

Op vrijdag kreeg ik van de dokter te horen dat de huidkanker niet de extreem kwaadaardige vorm was, maar dat het wel moest worden weggehaald.

Twintig jaar en verschillende wegsnijsessies later ben ik er nog. Heb ik altijd hoop gehouden. Meer kon ik niet. En kan ik niet. De gevreesde ziekte komt als een dief in de nacht. Het lot heeft de schakel in de hand.

Komende vrijdag is er een fakkeltocht. Een tocht om aandacht te vragen voor de Samenloop voor Hoop Oldambt. Aandacht voor een evenement dat geld inzamelt voor onderzoek in de strijd tegen kanker. Een evenement dat in gang is gezet door een aimabel man die zelf is geveld door de gevreesde ziekte.

Als ambassadeur hoop ik dat er heel veel mensen komen. Die zelf of met dierbaren in hetzelfde schuitje hebben gezeten of er nu, als u dit leest, midden in zitten.

Ik loop ook mee. En denk aan haar. Ze kijkt van boven mee, met die mooie glimlach om haar mond.

Erik Hulsegge

Meer over dit onderwerp:
columns opinie Winschoten
Deel dit artikel:

Recent nieuws