Column: Zie is altied bie mie

Een druppel zweet uit mijn oksel glijdt langzaam naar beneden. Het is de druppel. Ik wil naar buiten. De hitte heeft bezit genomen van ons huis en ik vind het niet meer te harden.

'Gaist ook mit eem wandeln laiverd', roep ik naar boven. 'Gai doe mor, ik bin kapot', is het zuchtende antwoord. Lientje komt net van de sportschool. Bodypump. Lijfpomp. Nou, zo ziet ze er met haar rood verhitte gezicht ook uit. Opgepompt.

'Och', denk ik. 'Ik rie eem noar t Midwolmerbos. Lekker koel'. Op het grindpad voor de Ennemaborg hoor ik in de verte gerommel. De lucht richting Duitse grens is blauwzwart. Voorbij de ijsbaan boven Nieuwolda dreigende donderkoppen. 'Gaait der net mooi om tou', is mijn geruststellende gedachte.  

Ik loop het pad af naar het witte ophaalbruggetje. Over de brug ga ik - net als altijd - linksom voor een rondje bos met de klok mee. Ik hoor het mooi rollende gezang van een merel, ruw vermengd met het lelijke gekras van een Vlaamse Gaai verderop in het bos.

Het pad is nog modderig van de onweersbuien van een dag ervoor. Ik probeer met omtrekkende bewegingen mijn te mooie schoenen voor het bos schoon te houden. Ongemerkt is het stil geworden. En donker. Het Duitse gerommel komt steeds dichterbij en ik meen dat ik door het bladerdek een lichtflits zie.

Mijn binnenste ik zegt dat ik terug moet gaan. Ik sla rechtsaf voor het buitenste paadje langs de rand van het bos. In de schemerige verte zie ik op de open vlakte de contouren van een koppel paarden. In de stilte hoor ik hun gesnuif. Het is nu bijna helemaal donker.
  
Binnen in het bos hoor ik iets kraken. Mijn blik gaat onderzoekend die kant op. 'Zug ik doar nou licht?', vraag ik hardop aan mezelf. Het antwoord is ja. Zo'n meter of veertig het bos in flikkert een lichtje. In het schamel schijnsel denk ik een man te zien zitten.

Ik wil al doorlopen om mijn angst geen kans te geven. De nieuwsgierigheid wint. Met kloppend hart stap ik het bos in. En ja, mijn waarneming was juist. Op een omgevallen boomstam zit een man met een strohoed. Voor hem in een glazen potje een kaarsje.

'Moi', zeg ik van geruime afstand, de stemming peilend. Ik krijg een vriendelijk 'moi' terug.De man met de hoed is al wat ouder. Wit kort geknipt haar, witte stoppelbaard, een iets ingevallen gezicht en vriendelijke blauwe ogen. 'Hier zitten ie?' vraag ik naar de bekende weg. 'Joa jong, elk joar om dizze tied'.

Hij vertelt zijn verhaal. Als jongetje woonde hij in het dorp op het achterlaantje in het middelste huisje van drie. In het achterste woonde zijn buurmeisje. Precies even oud als hij. 'Ik was n weke older', zegt ie met een weemoedige glimlach.

Jarenlang zaten ze naast elkaar in de klas, speelden ze tot 's avonds laat op het laantje of schommelden ze op de schommel in de appelboom. Later reden ze door weer en wind samen naar de stad. Zij naar de huishoudschool. Hij naar de ambachtsschool.

Bij een speurtocht van de dorpsvereniging in het Midwolderbos gebeurde wat zij en het hele dorp eigenlijk al wel wisten. Ze kregen verkering. 'Hierzoot op dis stee gaf ik heur t eerste smokje'.'Kiek' en hij klopt met zijn hand naast zich op de boomstam. Bij zijn hand zie ik dat een hart  in de boom is gekerfd. Een G. aan de ene en een A. aan de andere kant van het hart. Letters verbonden met een pijl.

'En nou is ze der nait meer..'.

Op een dag had ze last van haar arm gekregen. Was ze wat moe. Dat last van de arm ging maar niet weg en dat moe werd een paar uur per dag op bed liggen.

Toch maar naar de dokter. Die stuurde haar meteen door naar het ziekenhuis. Bloedonderzoeken, scans. De arts had hen ernstig aangekeken. 'Ik kan niet zoveel meer voor u doen mevrouw. De kanker is door uw hele lichaam uitgezaaid'.

Drie weken later hadden ze afscheid van elkaar genomen. 'Mooi dast der wast', waren haar laatst woorden. Samen met zijn kinderen had hij naar het kerkhof gebracht. 'Gelokkeg het ze heur klaainkind nog wel geboren zain', zegt de man starend in het donkere bos.

Bijna zestig jaar waren ze samen geweest. Van het achterlaantje tot hun huis aan de Hoofdweg. Van hun eerste zoen tot hun eerste kind. Van hun trouwen tot hun eerste kleinkind.  

Elk jaar op haar sterfdag, op de laatste dag van mei, gaat hij naar het bos. Naar hun boom. En brandt hun kaarsje.

'En waist…' Hij hapert even en kijkt dan naar boven.

'Zie is altied bie mie…'

Erik Hulsegge

Dit verhaal heb ik gisteravond verteld bij de herdenking (kaarsenceremonie) in het kader van de Samenloop voor Hoop Oldambt, waar ik ambassadeur van ben.
 

Meer over dit onderwerp:
columns
Deel dit artikel:

Recent nieuws