Column: Foto in een Opel Rekord 2.0 S

© RTV Noord
'Dat komt wel goud laiverd'. Lientje klopt me bemoedigend op de schouder. 'Moakst der toch n verhoaltje van, den hest der zo aine..' Voor het huis wordt er getoeterd. Ik krijg nog een zoen op mijn haar en plots is het stil in huis.
Lientje gaat met vriendinnen naar Oerol. Kunst en cultuur snuiven op Terschelling. Dik doun op t aailand. Ik heb het niet laten merken maar stilletjes ben ik best jaloers. Ik hoor mezelf diep zuchten. Dan denk ik dat Lientje gelijk heeft. Ik maak er gewoon een verhaaltje van. Ik vat de koe bij de horens of, zoals ik doe: ik pak mijn laptop van het laptopplekje.  
Mijn Opel Rekord 2.0 S was mijn derde auto. Mijn eerste twee waren Fiat Panda's. Witte. Toen ik mijn rijbewijs in een keer had gehaald bij rijschool Jan Muis, zeiden de jongens van het muurtje bij de school dat ik nu pas echt auto leerde rijden. Ze hadden volkomen gelijk. In die zin dat ik als jonge, vurige, rooie nog te veel rood haar, te veel rooie roekeloosheid en te weinig autorijgevoel had. 
Mijn eerste witte Panda reed ik op de auto van een Deens gezin bij een verkeerslicht in Oude Pekela en mijn tweede Italiaanse beertje op een verkeerszuil bij het spoor. Mijn vader kon het niet meer aanzien. Hij kocht met mijn spaarcenten een Opel Rekord 2.0 S. En alweer een maagdelijk witte. 
Een wit, degelijk, Duits slagschip, op wielen. 'Zo, vernuver die hier eerst mor n zetje mit', zei pa. Nou dat deed ik. Wat een auto. 'Tis net n taxi', zeiden de dorpskameraadjes. Trots als een pauw zat ik achter het enorme stuurwiel, zo groot als het roer van een Duits oorlogsschip. 't Is n Duutse tank', zei Henkie achterin. En zo werd de troetelnaam van mijn auto geboren. De Tank. 
Met De Tank reed ik overal heen. Van Duitse disco's op zaterdagavond, naar een visje in Termunten op zondagmiddag. En het rare, dat zeg ik nu, maar daar stond ik toen niet bij stil, zonder ongelukken. Ik reed als een truckchauffeur met duizenden kilometers tussen de lijntjes. En als ik toch een keer een paaltje of een stoeprandje meenam. De Tank gaf geen krimp. 
Toch had ook De Tank een achilleshiel. En die zat niet zoals bij een mens onderin het gestel, maar juist bovenin. Het dak om precies te zijn. Daar kwam ik achter op een fatale zaterdagnacht. Ik woonde toen ook in de binnenstad, alleen een paar honderd meter verder richting Marktplein. De Tank stond trouw op zijn plek te wachten voor het huis. 
Ergens midden in de nacht kwamen er twee idioten vol drugs en drank uit het café gerold. Die dachten kennelijk dat De Tank een echte tank was en zij voerden op het dak en de motorkap een soort late overwinningsdans op de Duitsers uit. Op 'kistjes'. Dit klinkt misschien grappig, maar dat was en is het nog steeds niet. 
Het dak van De Tank was veranderd in een badkuip. De motorkap zat vol butsen van de hakken van de militaire schoenen van de daders. Wat was ik blij dat die twee malloten dankzij een oplettende bovenbuurvrouw gearresteerd konden worden. Eén van die minderjarige 'koukonten' bekende meteen. Ik, nog steeds in shock, kreeg Slachtofferhulp. Die zei dat ik de ouders een brief moest schrijven zodat ik de schade vergoed kon krijgen. 
Ik kreeg mijn keurig nette brief weer terug met antwoord. Waar ik in godsnaam het lef vandaan haalde om zo een brief te schrijven. Dat hun zoon nooit zoiets zou doen. Als ik met deze laster door zou gaan kreeg ik een batterij advocaten op mijn dak.
Ik was helemaal van de leg. Ik hoopte bij de rechtbank nog op gerechtigheid. Daar staat het woord rechtbank tenslotte voor in Nederland. Recht. Niet dus. De dader in kwestie kreeg een voorwaardelijke werkstraf van twintig uur en ik kon naar mijn centen fluiten. Als ik schadevergoeding wilde, kon ik een civiele procedure aanspannen.
Die centen had ik natuurlijk niet. Van Slachtofferhulp heb ik nooit meer iets gehoord. Ik was daarna nog heel lang van de kaart. Maar erger nog: De Tank ook. Hij werd zo goed en zo kwaad als het ging weer in oude staat hersteld. Maar echt de oude werd ie nooit meer. Een paar weken later begon ie zo maar te huilen. Olie althans, en niet zo'n beetje ook. 
Mijn vader zei dat het tijd werd om De Tank van de hand te doen, anders werd het een lijdensweg. Voor mijn portemonnee dan. Het gevolg was dat De Tank enkele weken later rondreed in een kleine Turkse badplaats. Als olielekkende taxi. 
Met weemoed denk ik terug aan die goeie ouwe tank. Maar zoals het lollige onderdeel in Dit was het Nieuws: 'Gelukkig hebben we de foto's nog', heb ik ook nog foto's van De Tank. En u bent natuurlijk nog steeds nieuwsgierig waarom ik dit verhaaltje nu schrijf. Het gaat om een foto van De Tank. Als ik eerlijk ben om een foto van mijn tweelingboer en ik in De Tank.
Ooit schreef ik een artikel in de Winschoter Courant over het tweelingonderzoek dat mijn broer en ik ondergingen in Minneapolis-St. Paul, in Twin Cities aan de Mississippi in Minnesota. Bij professor Thomas Bouchard, die aan de hand van bij de geboorte gescheiden tweelingen zijn theorie staafde dat opvoeding maar een deel van de menselijke ontwikkeling is. Dat de genen heel bepalend zijn voor de rest van je leven.
Bij dat artikel over onze wetenschappelijke belevenissen had de bekende fotograaf Harry Cock, met Co-Ce-Ka, een foto gemaakt. Twee rooie tweelingbroers in een witte Opel Rekord 2.0 S. Mijn Tank. Prachtfoto.
Dat dacht Kim, een wederzijdse fotograferende vriendin ook. Zij wil die foto 25 jaar na dato nog eens maken. Twee grijze tweelingbroers in een witte Opel Rekord 2.0 S. 
Er is een probleem. Die broers zijn er wel, maar die auto niet. Ik ben dus op zoek naar die auto. 
Voor een foto in een Opel Rekord 2.0 S.