Column: Midzomernachtdroom in een jeugdsoos

De allereerste keer dat ik een microfoon in mijn hand had, dat ik me voor heel even presentator waande, weet ik nog als de dag van gister. Dat was eind jaren tachtig. Een midzomernacht in Midwolda. In jeugdsoos Jollity.

In ons dorp had het muurtje van de school plaatsgemaakt voor een houten hok, een barretje, acht barkrukken, een dansvloertje en een verhoogde draaitafel ernaast. Ons dorp had zomaar een jeugdsoos. Primus. Een mooie naam, vond ik, want als verlopen gymnast dacht ik er meteen 'inter pares' achter. Eerste onder zijns gelijken. 

Dat was weer een verwijzing naar alle jeugdsozen in de omliggende dorpen met namen als Malgre Tout, Doofpot, Streetcorner en Jollity. In die tijd hoorde je als dorp er niet bij als je geen jeugdsoos had. Elke vrije avond zat je in het houten hok. Dronk je bier uit een fles, grapte, steukelde, klaverjaste en knobbelde je aan de bar. En een sjandoedel draaide plaatjes op de verhoging met draaitafel. 

Hartstikke leuk maar als dorpstiener vol hormonen wilde je na zes flessen Heineken en 'drij natten en twij schonen' bij het klaverjassen, ook wel eens iets anders. Dus werd de deur van het houten hok op slot gegooid en trokken we op de brommer en fiets en masse naar een jeugdsoos 'inter pares'. Een van die trektochten ging naar jeugdsoos Jollity in Midwolda. Ze hadden er Midzomernacht Top 1000 Aller Tijden. Doar mos je bie weden.

Jollity, ook gezegend met een bar en een draaitafel, was tjokvol. Hier en daar een bekend gezicht en met flink wat bier in de borst en twee flessen in je hand was de stemming behoorlijk jolig. De man achter de draaitafel kwam me vaag bekend voor van bar dancing Just Fancy in Winschoten. 

Hij strooide met plaatjes als Angie van de Rolling Stones, Whole lotta Rosie van ACDC en moderner: Forever Young van Alphaville. Na 846 plaatjes te hebben aan- en afgekondigd, kwam hij wellicht onder invloed van bier, op het lumineuze idee dat het publiek ook een rol kon spelen in de Midzomernacht Top 1000 Aller Tijden.  

Zo stond de draaitafelman met loopmicrofoon in de hand even later in ons gezelschap. 'Of wie ook eem n ploatje aankondigen wollen?' 'Kinstoe wel eem doun ja Rinus', zei Henkie en alle drankgezichten uit mijn dorp gingen mijn kant op. Ik droeg toen de illustere bijnaam Rooie Rinus, kortweg Rinus. En nee, hier kwam ik niet onder uit. 

De Rolling Stones hadden net Angie uitgezongen, toen het doodstil werd in Jollity. Ik pakte de microfoon in mijn lege trillende rechterhand, hield hem tegen mijn mond en zei met al even trillende stem. 'En nou. Op nummer 154. Orchestral Manoeuvres in the Dark met Maid of Orleans…' 

Meteen volgden de eerste mysterieuze synthesizerklanken van het nummer over de heilige Jeanne d'Arc. 'Joan of Arc had a heart. Would she give it as a gift'. Triomfantelijk keek ik na dit kunststukje de rokerige zaal rond. Mijn blik bleef hangen in die van een meisje. Strak achterovergekamd haar in een knotje, grote oorringen, ronde rood gestifte lippen en een opvallende ketting om haar hals. 

Ze gaf me met haar pretoogjes een knipoogje. Zo van 'Goed gedaan hoor'. Lang kon ik er niet van genieten. Ik kreeg een fles bier in mijn hand gedrukt en een paar beste klappen op de schouder van mijn dorpsgenoten. Ik, held van de avond, moest vlak daarna heel nodig plassen. Dat dachten er meer. Er stond een enorme rij voor de enige wc. 

Geen nood. Buiten was tenslotte een heel groot toilet. Dus stond ik even later tegen een heg te pissen. Ik zuchtte van opluchting. Zonder dat ik het in de gaten had stond er nu een lange man naast mij. Of ik nooit meer in zijn dorp tegen een heg wilde plassen, zei de reus. Ondertussen graaide hij in zijn broek en ging zelf in dezelfde heg staan plassen met een straal waar een Belgisch paard jaloers op zou zijn. 

Teruggekeerd in Jollity waren mijn vrienden verdwenen. Hoe ik ook keek, de Primus-afvaardiging was in rook opgegaan. Ook was mijn nog halfvol flesje bier nergens meer te zien. Ik koos eieren voor mijn geld en zocht mijn Fongers. De flesjes bier hadden hun werk goed gedaan. Alle fietsen leken ineens op de Fongers van mij. 

Eindelijk vond ik hem tegen een boom. Nu was het nog de kunst om mijn sleuteltje in het slot te krijgen. Na drie pogingen waarbij het sleuteltje het slot miste en ik het telkens op de tast moest gaan zoeken in het gras, wilde ik opgeven. Plotseling graaide iemand het fietssleuteltje uit mijn hand. Het meisje van het knipoogje. 'Ik help die wel', zei ze lief. 

Het licht van een lantaarnpaal scheen in haar gezicht. De blauwgroene pretogen keken in de dronken bruine van mij. Mijn hart sloeg een keer over toen onze lippen elkaar raakten.   

Even later reed ik slingerend over de Niesoordlaan richting mijn dorp. Begeleid door een beeldschoon meisje. Om me bij de tijd en op de weg te houden, praatte ze met zoetgevooisde stem tegen mij aan. Dat ze Jantje heette, hier vlakbij woonde en leerling-verpleegster was in het Sint Lucas. Dat het echt heel erg leuk werk was. 'Huhhuh..' Meer kwam er niet uit mij omdat ik al mijn concentratie nodig had om op de weg te blijven.

Ze vertelde onverstoorbaar verder. Over Niesoord. De naam van de weg waar we op fietsten. Over haar overgrootouders die op Niesoord, het land van weduwe Nies, hadden gewoond. Niesoord was een enclave in het veen. Een handvol huisjes met arme veenarbeiders. Grote gezinnen in veel te kleine huisjes. Roeg volk in erbarmelijke omstandigheden.

Een van de veenarbeiders was opgepakt, omdat hij met een bijl de koeien van een rijke boer de horens van de kop had geslagen. Een andere Niesoorder was voorgoed in de gevangenis beland, omdat hij na een avondje drinken met een turfschep de neus van het hoofd van een Winschoter had weggevaagd. De Sodomer was doodgebloed in het veen. Er ging geen week voorbij of er werd tot bloedens toe geknokt in Niesoord. 

Overgrootoma verzorgde de mannen die gewond uit de strijd waren gekomen. Jantje vertelde het of ze er zelf bij was geweest. Haar stem, de blauwgroene ogen, de rinkelende halsketting. En het zoenen van daarnet. 'Eem stoppen….'.

De volgende morgen word ik wakker met een spijker in mijn hoofd. Ik heb mijn pyjamajasje aan en mijn kleren hangen keurig netjes over de stoel. Voorzichtig kijk ik op de wekkerradio hoe laat het is. Half twaalf. Ik pijnig mijn hersenen wat er die avond ervoor is gebeurd. 

Maid of Orleans. Orchestral Manoeuvres in the Dark. Het meisje van Niesoord. Jantje. Het zoenen. Verder ben ik de 'film eem kwiet'. Ik bel Henkie waarom ze er plotseling vandoor waren gegaan. 'Hou vandeur?' zegt Henkie korzelig. 'Doe bist ja gewoon mit ons noar hoes hin goan.' 

Ik begrijp er niets meer van. Ik weet zeker dat ik alleen met de mooie Jantje van Niesoord naar huis ben gereden en met haar heb gezoend. Toch? Ik spring eerst maar eens onder de douche om de boel wat helder te krijgen. Hoe koud ik de kraan ook draai, de film komt niet terug. Of heb ik het soms allemaal gedroomd?

Terug op mijn slaapkamer trek ik een onderbroek en een T-shirt uit de kast. Mijn blik valt op mijn pick-up. Erop ligt een hoesje van een singeltje. Ik heb het nog nooit eerder gezien. Het hoesje is een afbeelding van een vrouw in mozaïek in verschillende kleuren . 

Bovenaan in het wit staat in blauwe blokletters: MAID OF ORLEANS OMD 1981. 

Erik Hulsegge

Meer over dit onderwerp:
columns WINSCHOTEN
Deel dit artikel:

Recent nieuws