Column: Held

De indringende roep van een vogel komt van het dak van het theater. Bij het geluid is geen beeld, totdat plotseling, net boven de dakrand, een kopje tevoorschijn komt. Het kopje van een scholekster.

Het hoge vogelgeluid echoot tussen de gebouwen terwijl het kopje langs de rand van het dak heen en weer beweegt. Ploep, en de vogel zit op de dakrand. Schuchter nieuwsgierig gaat het kopje heen en weer. Loerend spiedt de vogel schreeuwend de omgeving af. De blik gaat naar beneden. Mijn ogen gaan mee.

Beneden in een grasperkje met daarin acht jonge bomen aan een paal zie ik nog twee scholeksters. Speurend, pikkend dribbelen ze door het gras. Van boven komt opnieuw een schreeuw. Beneden vliegen de vogels in een simultane vlucht op van het gras om enkele tellen later neer te strijken op de dakrand van het theater. De kleinere vogel die er al zit, is plots stil.

Ze zitten er een poosje als de twee laatste grotere vogels schreeuwend wegvliegen van de dakrand. De kleinere vogel schreeuwt terug. Het is even stil als de kleine scholekster onwennig fladderend de vlucht van de twee grote volgt en uit zicht verdwijnt.

Het is nog vroeg in de morgen. De zon komt op boven het dak van het ziekenhuis. Ik zit op het balkon van het huis van mijn ouders in de Zeeheldenstraat. Het zou gewoon zijn als mijn vader hier zou zitten. In zijn rolstoel, de blik dwalend over het verkeersplein, de daken van zijn stad, de molens en de toren in de verte.

Mijn vader zit niet naast me op het balkon. Hij ligt in bed, slapend, in zijn allerlaatste slaap. De motor was uitgeprutteld, de accu was leeg. Jaren had hij gevochten tegen de lichamelijke ongemakken, die hij na een mislukte operatie, manmoedig had gedragen. Met de tijd kwamen ook de complicaties. Steeds meer. Steeds vaker. Maar nooit een krimp. Nooit.

Een ding wist ie zeker. Hij moest er op een of andere manier nog wel plezier in hebben. Toen zijn maag hem ook nog in de steek liet, verdween ook dat uit zicht.

'Moet ik de dokter bellen?' vroeg ik voor een tweede keer. Om het zeker te weten en tegelijk met een onterechte hoop dat het antwoord anders zou zijn. 'Ik dacht dat je al gebeld had'.

Zittend in de opgaande zon vliegen flarden uit mijn jeugd door mijn hoofd. De zondagochtend fietstochtjes over het Tranendal. Als de wind voor mij op mijn rode fietsje te hard tegen was, duwde hij mij met zijn hand in mijn rug. Hij staand aan het hek van het voetbalveld, zonder dat hij ooit kritisch was op mijn voetbalkunsten.

Dat hij mij aan de hand meenam naar de LTS, zijn school, zijn klaslokaal. Ik voelde door zijn hand de trots. Trots op zijn werk. Trots op mij, kleine rooie, richting zijn collega's. Ik zie hem staan naast de glimmende stoommachine van zijn stoomgemaal. Hoe hij mij uitlegde hoe het werkte met vliegwielen en vijzels. Ik zag in zijn ogen, dat hij wist dat ik het niet begreep. Hij mij daarna kolen liet scheppen in het vuur van de ketel. Onze roadtrip door Frankrijk en Spanje. Hij moet naast mij als jongetje van achttien die net een maand zijn rijbewijs had, doodsangsten hebben uitgestaan. Hij liet ze nooit merken.

'Dank voor alles wat je voor me hebt gedaan', zei ik bij het afscheid. 'En ook voor mamma...'
'Daar deed ik het voor', zei hij uit de grond van zijn hart.

Een man met een groot hart, een sterk hart, een leeuwenhart.

Een dag nadat hij in zijn laatste slaap was gebracht zat mijn moeder wachtend op het definitieve afscheid naast hem en sprak tegen hem over de mooie dingen die ze hadden beleefd. Plotseling deed pa zijn ogen open en kneep haar in zijn hand.

Zijn hart was sterker dan de eeuwige slaap. Held.

In de verte hoor ik het geroep van de scholeksters. Ik zie ze aan komen vliegen vanaf de molenkant. Twee scholeksters strijken gelaten neer op de dakrand. Hoe ik ook wacht. De derde kleine vogel komt niet.

Erik Hulsegge

Mijn vader is zaterdagmiddag in alle rust en vrede overleden.

Meer over dit onderwerp:
columns GRONINGEN
Deel dit artikel:

Recent nieuws