'Vroeger was vakantie alleen voor de rijken'

© RTV Noord
Het is volop zomer en de meeste mensen gaan, of zijn al, op vakantie. Dat is zo alledaags geworden dat we er eigenlijk niet meer bij stilstaan dat vakantie een redelijk nieuw verschijnsel is.
'Er is eigenlijk een soort tweedeling als je kijkt naar vakanties', vertelt verslaggever Reinder Smith in Babette op Noord. 'De schoolvakanties bestaan eigenlijk al heel lang. Een stuk langer dan je denkt.'

In de archieven

Als je in de krantenarchieven duikt, zie je dat kinderen op de Landbouwschool in Haren in 1856 voor het eerst vakantie hadden. 'Die leerlingen hadden van half juni tot half juli zomervakantie. Dus voor scholieren bestaat dit al heel lang.'
Echt op vakantie gaan, zoals we dat tegenwoordig doen, is een stuk nieuwer.
'Vroeger was vakantie alleen voor de rijken', vertelt Smith. 'Daarmee liet je zien dat je niet hoefde te werken.' Vakantie hebben was dus een soort statussymbool. 'Na de Eerste Wereldoorlog kwam daar verandering in. De rechten van arbeiders werden beter geregeld.'

Compleet veranderd

In eerste instantie had je één dag vakantie, of hooguit een week.
'Pas decennia later zag je dat mensen twee weken of langer vakantie hadden. Maar waar moest je heen? Veel mensen hadden geen auto, dus ze gingen vaak met de fiets of de brommer naar familie. Reizen naar het buitenland gebeurde vanaf de jaren 60. Toen gingen mensen busreizen maken op pakten ze het vliegtuig. In één, twee generaties is het vieren van vakantie compleet veranderd', aldus Smith.