Column: Ziekenhuis

Ik voel me niet senang. Ik ben vier keer per nacht wakker en moet er twee keer uit om te plassen. Rusteloos, ongedurig, het gevoel dat je hebt als je schoolexamen moet doen. Het voelt niet fijn. Maar ik weet wel waar het van komt: het ziekenhuis.

Dinsdag moet ik naar het Martini. Een kijkoperatie in de kniefabriek. 'Er zit een scheur in de meniscus van de rechterknie', zei de man die knieverstand heeft.

Nou keek ik daar niet raar van op, want hetzelfde gevoel had ik vier jaar geleden ook in mijn linkerknie. En ging ik als een doosje over de lopende band van de kartonfabriek door de kniemolen van het Martini. 

Zo gepiept. Geen centje pijn. Dus is er geen reden voor zorg of spanning. Toch is het er. Dat onbestemde gevoel. Misschien is het omdat ik een paar maanden na de vorige knieoperatie een slijmbeursontsteking in mijn rechterheup kreeg. Gek van de pijn werd ik. Echt gek. 

Die slijmbeursontsteking werd pas een half jaar (!) later herkend. Ik noem geen namen van de sukkels van een ander ziekenhuis die dachten dat de pijn tussen mijn oren zat en niet in de heup.

Maar die ellendige slijmbeurs had in principe niks te maken met de knieoperatie. Misschien is het angst of misschien ben ik wel zat van al die ziekenhuisellende.

Al die keren met mijn vader, in oktober ikzelf nog, vorige week met mijn moeder en dan heb ik het nog niet over andere naasten die nu in een ziekenhuisbed liggen. Ik kan zo langzamerhand geen ziekenhuis meer zien. Want laten we eerlijk zijn: voor je lol ga je er niet heen. 

'Wanneer most ook al weer noar t zaikenhoes?' Het is Lientje die het vraagt als we aan het ontbijt zitten. De grote achtertafel is gevuld met hardbroodjes met oude kaas van de bakker onder de toren, vers geperste sinaasappelsap en een drie minuten gekookt eitje.

Ik achter de krant en Lientje met haar gezicht in de telefoon. Ik heb geen honger en eet tegen heug en meug. 

'Dinsdag. Dat waist toch wel.' De chagrijn klinkt door in mijn stem. 'Wat veur doatum is dat?', vraagt ze weer met een raar toontje in haar stem. 'De dattiende', antwoord ik korzelig. 'Owh...de dattiende…..' De nadruk ligt wel heel erg op dattiende. Verder blijft het stil. …

Ik laat het doordringen. De dertiende. Dertien brengt ongeluk. Ik word op de dertiende geopereerd. Ik laat de krant zakken en kijk in het lachende gezicht van Lientje. Vrouwengalgenhumor. Ik als man word er niet vrolijk van. 

Dus ga ik even later naar de markt. Via de visboer langs de bloemenman. De plek van Frans de notenman is nog steeds niet gevuld, zie ik.

Met vis in de maag en bloemen in de hand ga ik naar mijn moeder. Gladiolen. Ik heb er wat mee. De bloei van een gladiool kruipt omhoog. De uitdrukking 'de dood of de gladiolen' staat voor het leven. Alles of niets.

Ook denk ik aan Harko van de golfclub, die bij hoog en bij laag volhield dat de uitdrukking niet 'de dood of de gladiolen' moest zijn maar 'de dood of de gladiatoren'. We hebben hem maar in de waan gelaten zodat Harko het nog steeds denkt. 

Mijn moeder zet de bloemen, waarin onderin enkele knalrode blaadjes ontluiken, op een vaas. 'Weet je wat voor dag het morgen is?' vraagt ze met een serieuze toon.

Zondag. 11 november. 'Super Sunday', denk ik. FC, Donar en Lycurgus spelen thuis. Maar dat interesseert mijn moeder geen biet. 

Sint Maarten, denk ik verder. 'Ik heb de puten mit slik al in hoes hor moe.' Mijn moeder schudt het hoofd. 'Nee', zegt ze. 'Toen kwam je bij ons. Op elf november', en ze wijst naar de agenda waar het keurig in staat geschreven. 

Op 11 november 1967 werd ik door mijn vader en moeder opgehaald vanuit het weeshuis in de stad. Op die dag werd ik geadopteerd in huize Hulsegge.

Mijn tweelingbroer hadden ze er ook bij willen hebben, maar dat werd door de Kinderbescherming tegengehouden, zodat twee rooie eeneiïge tweelingbroertjes apart van elkaar opgroeiden.

Ik herinner me de foto hoe trots mijn vader en moeder op de stoep van het weeshuis stonden, met mij in hun armen. 

'Ik ben nog steeds trots op je', zegt mijn moeder alsof ze mijn gedachten raadt. Ze slaat haar armen om me heen. Ik weet niet goed wat te zeggen. Ik vertel haar dat mijn broer en ik weer op de landelijke tv komen in een programma van Coen Verbraak op Nederland 3. Een soort Kijken in de Ziel. In december zijn de opnames. 

'Het blijft toch een bijzonder verhaal', zegt mijn moeder. 'Kopje thee?'

'Weet je', zegt ze als ze de waterketel op het gas zet. 'Wat ik me altijd al afvraag. Of je biologische moeder dat nu ook ziet of jouw stukjes leest..' In de stilte het geruis van het gas onder de waterketel.

Via de parkeerplaats van het oude en verlaten ziekenhuis rij ik op de fiets terug naar huis. Op de tweede etage van het enorme gebouw zie ik licht branden. De rookpaal naast de draaideur van de hoofdingang staat er nog. Door de ramen zie ik de contouren van de balie van de receptie en de betaalautomaat van de parkeerkaartjes. 

Alsof het ziekenhuisleven elk moment weer op gang kan komen. 

Als ik de fiets in de garage tegen die van Lientje zet, voel ik mijn telefoon trillen. Mijn broer.

'Moi, bruier.' 'Moi.' 
'Hou ist?' 'Goud.' 'Mit die?' 'Best' 
'Wanneer most ook al weer noar t zaikenhoes?'

Nee he, begint hij ook al met dat fijne grapje over de dertiende. Ik word boos. 'Doe verrekte sjomp', zeg ik en wil er nog slontje, kounavvel, eerappelneuze en zoepenbrijgezichte aan toevoegen. Mijn broer is me voor. 

'Hou zo sjomp?', zegt mijn broer. 'Ik wil dinsdag allinneg eem mit die mit. Den bist ook ja nait zo allinneg in t zaikenhoes.'

Dat is nou mijn broer, mijn tweelingbroer, die als twee druppels water op mij lijkt. Soms is ie nog niet zo slecht als dat ie eruit ziet. 

Meer over dit onderwerp:
columns opinie Winschoten
Deel dit artikel:

Recent nieuws