Door de mand: Kees Vlietstra viert (geen) Sint-Maarten

8 november. Winkelcentrum Lewenborg, Aldi, kassa 3. Duurt lang. De man voor me draagt een pet. Hij pakt een leren shagpuut uit het borstzakje van zijn spijkerjack en draait razendsnel een sjekkie.

Ik kijk bewonderend toe. Dat merkt hij. Op zijn bovenlip plakt een sliertje tabak. Dat blaast het mannetje, publieksspeler als-ie is, met een sierlijke boog in de bak met kassakoopjes. Hé chocoladereepjes. Handig strooigoed voor Sint-Maarten. Ik pak een zak en gooi het bij mijn andere boodschappen. Het mannetje drukt het verse sjekkie achter zijn oor. 

Vrijdag 9 november. Meerstad. Keukentafel. De RTV Noord-app maakt melding dat de eerste thuiswedstrijd van de Martini Sparks in de eredivisie van het vrouwenbasketbal op een deceptie is uitgedraaid. 85-41 verloren van Den Helder. Dat zijn harde cijfers.

De coach is duidelijk in haar analyse:  'We moeten spelen als team en niet als vijf losse puzzelstukjes op het veld. Daar moeten we gewoon heel hard aan werken. Met veertig punten verschil verliezen is helemaal niet nodig. Als we meteen goed beginnen en de juiste energie hebben.'

Geen speld tussen te krijgen. Harde woorden van de coach over háár team. Maar wie is die coach eigenlijk? Had er overheen gelezen. Hé, Joyce Siderius-Bolman. Komt me bekend voor, ik ken die Joyce ergens van. Had ze vroeger niet gekorfbald? Zeker en vast. Er staat me iets van bij dat ze lang geleden speelde bij de Groninger korfbalvereniging R.O.G.

Ja mensen, R.O.G. Mooiste clubnaam van Nederland. R.O.G. staat voor Rondom d'Olle Grieze, wat natuurlijk weer staat voor de Martinitoren. Vind ik klasse van coach Joyce dat ze, ondanks dat ze de korfbalsport heeft verlaten, wel trouw is gebleven aan de d'Olle Grieze en nu de 'Martini' Sparks coacht. Nu snap ik opeens ook waarom ze met Evert Jan Siderius is getrouwd. Gek op grijze torens. 

Mijn gedachten dwalen af. Ik stop een chocoladereepje in mijn mond. Evert Jan Siderius en lampion lopen, hoe zat het ook alweer? Ik verdwaal in mijn herinneringen. 

'Hé Vliet, waar ga je heen?' Gebogen stond ik over een fiets. Het was zaterdagnacht, een uur of drie ergens in 1995. Grote Markt, Groningen. Ik zat tot mijn wenkbrauwen vol met bier en had in een helder moment besloten om naar huis te gaan.  'Hé Keessie' hoorde ik nu vaag boven me, 'waar gaat de reis naar toe mienjong?'

Langzaam draaide ik mijn hoofd en keek in het grote stralende gezicht van Evert Jan Siderius. 
'Wat denk je? Ik ga naar huis. Als ik dat kloteslot open krijg tenminste.' Evert keek me smalend aan. Daarna verlegde hij zijn gezichtsveld naar het kettingslot waar ik mee stond te prutsen. 'Misschien moet je je fietssleutel in het slot steken in plaats van je sleutelhanger, mandjeballer.'

Evert Jan Siderius begon te bulderen. Evert speelde als professioneel basketballer bij Donar. Hij mat op blote voeten twee meter en 6 centimeter. Daar kon ik als middelmatig bonkig korfballertje niet tegenop. 

'Trouwens, jij gaat helemaal nog niet naar huis' zei EJ. 'We gaan nog even aan de wandel.' 'Echt niet', begon ik, 'ik ga naar huis. Grote vent die mij nu nog mee krijgt.' Dat had ik beter niet kunnen zeggen. Twee seconden later lag ik in de brandweergreep over de linkerschouder van de center van Donar. Evert banjerde met grote passen richting Vismarkt. Ik beukte met mijn vuisten op zijn rug. Geen reactie. Bij mij wel. Ik werd een beetje misselijk.

Op een metertje van mijn gezicht schoten de kinderkoppies van de Vismarkt onder me door. Het rook naar vis. Er was overdag markt geweest en het had de hele dag en nacht gemotregend. De geur van vis, het klotsende bier en het feit dat ik al tweehonderd meter op mijn kop hing bracht mijn inwendige organen in opstand. Ik sloot mijn ogen. Dat hielp een beetje. 'Laat me los of ik kots je kontzak vol, lange dweil', siste ik.
 
Als reactie versnelde Evert zijn pas. We passeerden der Aa-kerk en kwamen uit in de Brugstraat. Ik had werkelijk geen idee waar de Fries, ook dat nog, naar op weg was. Ik gaf nog een paar beuken op zijn rug, wetende dat hij toch niet zou reageren. In de Eredivisie van het basketbal was EJ wel wat meer gebeuk gewend.

EJ was een hardwerkende, voor Nederlandse begrippen goede center, die het duel niet schuwde. Goed schot maar ja, zo traag als een Nederlandse center van 2 meter 6 uit Beetgum. Van die traagheid merkte ik hangend over de schouder van EJ helemaal niks. De loopsnelheid was inmiddels opgevoerd naar lichte looppas. Dit kostte EJ totaal geen moeite. Onder zijn coach Glenn Pinas was hij niet anders gewend.

Vergeleken met de duizenden suïcide drills in sporthal Vinkhuizen was dit kinderspel. Mijn gezicht klapte bij elke stap op de kont van Siderius. Ik probeerde erin te bijten. Lukte niet door matige kaakcoördinatie. Was er nu echt wel een beetje klaar mee. Evert minderde plotseling vaart en binnen twee stappen stond hij stil. Hij zwiepte me over zijn hoofd en zette me keurig op de straat. Ik wankelde. Mijn benen voelden als rubber. Langzaam stroomde het bloed, en het bier, van mijn hoofd naar mijn benen. 

'Eindpunt van deze reis', schreeuwde Evert. We stonden voor de studentensociëteit van Albertus Magnus. Dronken studenten waggelden vanuit de hoofdingang de trap af, op zoek naar hun fietsen. Corpsballetjes, dat zag ik direct. Ik werd geduwd. Voordat ik kon uithalen greep EJ me weer vast en duwde me de trap op.

Aan een tafel bij de ingang zat een meisje. Een beeldschoon meisje. Ze keek ons glimlachend aan. 'Het concert is bijna afgelopen. We gaan zo sluiten.'  Ik keek Evert aan. 'Concert? Wat voor concert, lange dweil. Wat doen we hier man?' EJ negeerde me. De studente gaf uitsluitsel: 'We hebben hier bij Albertus een concert van Van Dik Hout.'

'Ook dat nog', wist ik nog uit te roepen voordat Evert me langs de portier duwde. Die zag de omvang van Evert en deed gewillig een stapje opzij. In de grote zaal was Van Dik Hout bezig met de toegift. Zanger Martin Buitenhuis zong met zijn ogen dicht 'Stil in mij'. De studenten blèrden mee. Het was nou niet bepaald stil in mij. Evert duwde me twee plastic glazen bier in mijn handen. 'Mooi hè?', riep hij in mijn oor. Hij bedoelde waarschijnlijk de muziek. Beleefd knikte ik maar van ja. Had geen zin in weer een brandweergreep. 

Terwijl de studenten bralden dat het zo stil in hun was, keek ik naar de bar. Die bar kwam me bekend voor. Flashback in een flashback. Aan de keukentafel neem ik nog een chocoladereepje. 

Ik zie me zomaar weer op die bar staan. Sint-Maarten 1981. Voor het eerst 'echt alleen' lampion lopen. Zonder mama, maar met vriendjes Frankie en Reinoud stond ik voor de studentensociëteit van Albertus Magnus in de Brugstraat. Lampion in de ene en een plastic puut voor het snoepgoed in de andere hand. Dronken studenten waggelden vanuit de hoofdingang de trap af op zoek naar hun fietsen. Corpsballetjes dat zag ik direct.

Ik werd geduwd. Ik was elf jaar en had een hekel aan geduw. Voordat ik kon uithalen, greep Frankie me echter vast en duwde me de trap op. In de grote zaal stond in het midden een grote bar. Voor de bar hadden de studenten een mega trap gebouwd. Van tafels en krukken. Het was de bedoeling dat de kinderen met een lampion via de trap op de bar klommen. U vraagt, wij draaien dachten we, en binnen drie stappen stonden we op de plakkerige bar. Lampion in de ene en een plastic puut in de andere hand.

De student achter de bar deed zijn armen in de lucht en riep heel hard om stilte. Dat werd het warempel. Alle studenten keken naar ons. Met een glas bier, of pils zoals ze daar plegen te zeggen, in de ene hand en een ander glas pils in de andere hand. Mijn vriendjes keken mij aan. Het werd behoorlijk stil in mij. Met mijn rechtervoet gaf ik de maat aan. A capella zongen we ons mooiste Sint-Maarten-liedje. 

Iets met koeien en staarten en meisjes met rokjes. Het was een succesnummer. De studenten braken de tent af en gilden om een toegift. Publiekspelers als we waren zongen we nog een liedje over een juffrouw die heel gierig was en Kikkerbil heette. De studenten werden helemaal gek. De barstudent zette drie borrelglaasjes op de bar. Uit de koeling toverde hij een fles Pepsi cola en vulde de glaasjes. 'Mooi hè?', riep Frankie me in mijn oor. Ik keek naar de Pepsi-fles. Beleefd knikte ik maar van ja. 'Mooi man.'

Mooie tijd. Terug naar de onze. Zondag 11 november. 'Super Sunday' in Stad. Ik neem tijdens de wedstrijden van de FC, Donar en Lycurgus meerdere overwinningschocoladereepjes tot mij. 
Om 19.00 uur zit ik in mijn eentje in het donker. Heb de luxaflex én de gordijnen dicht. Er wordt aangebeld tijdens Studio Sport. Kinderstemmen. Ik doe niet open. De chocoladereepjes zijn op. Ik ben meneertje Kikkerbil en het is behoorlijk stil in mij.

Meer over dit onderwerp:
columns GRONINGEN
Deel dit artikel:

Recent nieuws