Column: Een goed voornemen voor een roestige held

Een rooie kater zit voor het slaapkamerraam van de overburen. Zijn kopje beweegt mee in de vlucht van een kraai hoog in de lucht. Plotseling gaat de blik van de kat naar beneden, naar de ooievaar in de tuin.

Het is geen echte, maar een boodschapper van een blijde boodschap. De boodschap van een kerstkindje. Aan de snavel van de grote zwart-witte nepvogel hangt een pop in een roze doek. Een meisje, zegt de kleur. 

Een blond meisje en een beagle lopen, zonder de ooievaar te zien, voorbij. De hond loopt aangelijnd aan haar rechterbeen. De staart met een wit puntje staat parmantig omhoog en kwispelt mee in het blije ritme van de hondenpas. 

Even verderop aan de overkant gaat plotseling een deur open. Een jongetje met een blauwe muts stapt met een step aan de hand naar buiten. Steppend is hij in een zucht voorbij het grasperk met de zeven lindebomen en uit beeld verdwenen.  

Het beeld van een idyllisch straatje. Het beeld van mijn straat. De straat waar ik woon. Als in een oude foto, als in een tekening van Cornelis Jetses, als in Ot en Sien.

Zo zie ik het ook graag. Maar zo is het niet. Het echte beeld wordt vertroebeld door blik. Het blik van auto's. Onze straat staat van voor tot achter vol met auto's. Meer dan twee decennia geleden kwam ik wonen in een nagenoeg autoloze straat. 

Je kon er blind doorheen rijden, een voetbal een blinde schop geven of met Oud en Nieuw duizendklappers en gillende keukenmeiden afsteken. Er was niks dat in de weg stond. 

Met het verdwijnen van de oudere bewoners van de straat en de komst van de welvarende jeugd kwamen ook de auto's. Er is nauwelijks nog een huis waar geen twee auto's bij horen. En die moeten natuurlijk allemaal voor de eigen deur.

Gezien de afmetingen van de straat en de huizen gaat dat dus nooit lukken. Sommige buurmannen en buurvrouwen hebben er iets op gevonden. Die hebben hun gazon en beukenhaag opgeofferd om er een parkeerplek voor hun ene auto te creëren. 

Deze creatieve oplossing is niet de sleutel naar ruimte in onze straat. Bij elk verdwenen stuk tuin lijkt er even verderop in de straat weer een auto bij te komen. De gedachte aan een toekomstige verjaardagsvisite veroorzaakt Oranjestraatse parkeerstress. 

Nu is er wel een oplossing. Die is dat alle parkeerplaatsloze auto's op de grote parkeerplaats zouden worden gezet aan het eind van de straat. Maar dat ga ik natuurlijk niet roepen, ik kijk wel uit. Straks word ik met pek en veren de straat uit gedragen. 

Waar ik wel over ga roepen, is over een held uit mijn straat. Een roestige held.

Aan het eind van mijn straat, zo naast de opgang naar die grote parkeerplaats, staat soms achter auto's en altijd onder een boom, verstopt bij een lantaarnpaal met parkeerbord, een held. Beter gezegd: een monument voor een held. Een monument voor Etty Hillesum. 

Eigenlijk zou u nu moeten weten wie Etty Hillesum is. (voor die het wel weet: hulde).  Er zijn straten naar haar vernoemd. Er zijn scholen naar haar vernoemd. Er is zelfs een Etty Hillesum-onderzoekscentrum.  

Etty of Esther Hillesum was een joodse vrouw die in de Tweede Wereldoorlog uiteindelijk werd vermoord in Auschwitz. In oorlogstijd schreef zij een reeks historisch waardevolle dagboeken die begin jaren tachtig van de vorige eeuw werd geopenbaard. 

Zij was, zeg maar, een tweede Anne Frank. Maar dat mocht je niet zeggen, omdat Hillesum anders was dan het wereldberoemde meisje van het Achterhuis.

Etty Hillesum onderging haar lot zonder tegenstribbelen, ze was lid van de Joodse raad waar een foute vleug omheen hing en ze dook niet onder.

Ze weigerde het pertinent, zelfs toen ze haar mee wilden nemen naar een onderduikadres. Het zijn geen ingrediënten voor een echte held. 

Maar wat blijkt. Zo op de valreep van 2018 is ontdekt dat Etty Hillesum kinderen hielp ontsnappen uit Kamp Westerbork. Dat gebeurde op ingenieuze wijze in ambulances, die met de zieken van het kamp naar het Academisch Ziekenhuis in Groningen reden.

Zo kreeg Etty Hillesum 75 jaar na haar dood alsnog een heldenstatus. 

Etty Hillesum woonde in mijn straat, in het huis aan de andere kant van de opgang naar de grote parkeerplaats. Met haar vader Louis, moeder Riva, broer Jacob en broertje Mischa, die geboren werd in datzelfde huis.

Mischa was een muzikaal wonderkind dat door de vervloekte oorlog niet tot wasdom kwam. Het hele gezin Hillesum uit de Oranjestraat kwam om in de oorlog. Wat bleef, waren de dagboeken van Etty.

Vorig jaar kreeg Etty dankzij het Cultuur Historisch Centrum Oldambt van Marianne Kruijswijk een monument in mijn straat. Een roestige afbeelding van een vrouw met een hoed. In een perk met houtsnippers met boom en lantaarnpaal. 

Dat is toch mooi? Dat is op zich ook zo. Maar wat mij stoort is dat niemand kan weten wie of wat het is. Bij het monument staat namelijk geen bordje. Geen uitleg. Geen verklaring. Niks. Noppes. Nada. Alleen een roestig klein vrouwbeeld.

Afbeelding

'Over dat maal ding maggen ze ook wel n moal n roesbozzel hoalen' hoorde ik laatst een man in een scootmobiel zeggen. 

Dat steekt. Dat mag niet. Ik heb niet zoveel goede voornemens voor 2019. Maar dit is er wel eentje: De roestige oorlogsheld Etty Hillesum moet en zal een naamduidingsbordje krijgen. 

Gisteravond stap ik bij mijn broer in zijn bescheiden BMW X5, die hij noodgedwongen geparkeerd heeft op de stoep voor ons huis. 'Man, wat een auto's hier. Dat was vijf jaar geleden nog niet zo'. Ik ratel de hele autogeschiedenis van de Oranjestraat af. 

'Hoeveel auto's hebben jullie eigenlijk?' vraagt hij heel fijntjes nadat ik uitgerateld ben. Aan mijn kant blijft het schuldig stil.

Aan het eind van de straat glijdt het licht van de koplampen over een roestig beeld van een dame met een grote hoed. 


 

Meer over dit onderwerp:
columns WINSCHOTEN
Deel dit artikel:

Recent nieuws