Column: Babykleertjes

De deur naar het platdak gaat open. Eerst komen witte houten poten van een droogrek naar buiten, dan een vrouw die het hele rek naar buiten zeult. In het knisperende grint zet ze het droogrek met moeite overeind.

Hijgend staat de vrouw even stil om goedkeurend te zien dat het rek goed staat. Haar blik gaat over de weidse velden onder de kraakheldere lucht. In de verte ziet ze de luchtwachttoren en daarachter de contouren van de oude toren van de stad.

Onder haar hoort ze stemmen van de buurmeisjes. Ze stapt weer naar binnen om er even later weer uit te komen met haar armen vol lakens en dekens, die ze over het droogrek hangt. Weer hoort ze de stemmen van de buurmeisjes.

Een voor een rijden de twee hun poppenwagen achter het huis en zetten de wagens met houten wielen voorbij de appelboom op het bleekveld. Simultaan halen ze hun poppen uit de wagen en koesteren ze in hun armen alsof het echte baby's zijn.

De pop van het oudste meisje met zwart haar heeft een broek aan die veel te klein is. Het jurkje van de pop van het jongste blonde meisje is daarentegen veel te groot en er zit een groot gat in.

'Hebben jullie een nieuwe poppenwagen?', vraagt de vrouw vanaf het platdak. De meisjes kijken omhoog en knikken verlegen. 'Heeft pappa voor ons gemaakt', zegt het oudste meisje. 'Mooi hoor', zegt de vrouw van boven. 'Daar kunnen jullie vast mooi mee spelen', vervolgt ze, maar ze stokt als ze de armoedige poppenkleertjes ziet.

Ze stapt weer van het platdak naar binnenshuis om drie minuten later weer op het platdak te verschijnen. Nu met een arm vol babykleertjes. Die zijn van haar zoon geweest. Maar de bengel is ze al lang ontgroeid.

'Hier', roept de vrouw naar de meisjes onder haar. 'Misschien hebben jullie hier wat aan?' en ze gooit eerst een wit mutsje, dan een lichtblauw rompertje en vervolgens broekje naar beneden. De meisjes vangen het mutsje en het rompertje maar het broekje niet.

Een geel dekentje blijft hangen op een tak van de appelboom. De meisjes rapen alle kleertjes op en grissen het dekentje uit de appelboom. 'Dankjewel buurvrouw', roepen ze in koor.

De vrouw op het platdak kijkt vertederd hoe de meisjes de nieuw verworven kleertjes verdelen en dan hun poppen ermee aankleden.

Enkele jaren later met het groeien van de leeftijd en de verandering van interesses worden de poppenwagens, poppen en de oude babykleertjes van het buurjongetje op zolder gezet. Na de middelbare school zwermen de meisjes uit.

De oudste leert bij een uitwisseling van de padvinderij een boerenzoon kennen uit het Westerkwartier. Aan het kampvuur slaat de vonk over. 'Het was heel gezellig', zou de boerenzoon decennia later lachend de eerste treden op het liefdespad verklaren.

Het bleef ook gezellig, want niet veel later trok het oudste buurmeisje bij de boerenzoon in op de boerderij in de klei van Niezijl.

De jongste leerde haar liefde kennen in Stad en verhuisde al gauw met hem naar Amsterdam om tientallen jaren later terug te keren naar Groningen, naar Marum, naar het Westerkwartier van haar oudere zus.

In al die jaren gingen de poppenwagens, de poppen en de babykleertjes met de zusjes mee.

Op een dag zag de oudste zus al surfend op het wereldwijde web een bekende naam voorbij komen. De naam van haar buurjongetje van vroeger. 'Most es zain wel ik vonnen heb?', meldde ze haar jongere zusje.

Op de foto was hij ouder, dikker en grijzer, maar het was hem, onmiskenbaar.

Op visite op de boerderij kwam het gesprek weer op het buurjongetje van vroeger en dat niet alleen. Ze kregen het over zijn babykleertjes en hun poppenkleren. 'Hestoe ze nog?', vroeg de oudste. De jongste knikte. 'Messchain mouten we ze wel weerom geven?'

Op een gure zondag in januari van jaar 2019 rijdt een man van in de vijftig over een nat smal landweggetje door de glimmende klei naar een boerderij in Niezijl. Twee iets oudere vrouwen ontvangen hem met koffie en een appelmeisje. Op tafel staat een klein aardappelkistje.

De man kan het niet geloven. Helemaal geef liggen in het kistje een rompertje, een mutsje, een broekje en een dekentje. Zijn kleertjes, uit zijn babytijd. Een halve eeuw later, zo goed als nieuw.

Op de terugweg is het stil in de auto. De man kan het nog niet bevatten. Bijna vijftig jaar bewaard alsof het de kleren van de keizer zijn. Dat kan toch haast niet waar zijn.

De man rijdt naar zijn moeder. Hij zet een klein aardappelkistje voor haar op tafel. De ogen van zijn moeder gaan naar de kleertjes. Dan naar haar zoon.

Haar ogen worden steeds groter. Ze pakt het rompertje, drukt het tegen haar wang. Ze kijkt vertederd.

'Och man, die stond je zo mooi hè...'

Het waargebeurde verhaal van mijn babykleertjes.

Erik Hulsegge

Met dank aan mijn oude buurmeisjes Anneke en Annelies. Schitterend.

Meer over dit onderwerp:
columns NIEZIJL
Deel dit artikel:

Recent nieuws