Column: Schuld

Lientje koestert haar gezicht in de zon. Ze heeft haar ogen dicht. Ik zit ernaast en lees de krant. Zo in het hoekje van de tuin, zo uit de wind, wil het met een jas aan best. Ik ruik het. De vogeltjes fluiten. Voorjaar.

'Wostoe dat?' vraag ik aan Lientje vanachter de krant. 'Wos ik wat?' kaatst Lientje terug, nog steeds met de ogen dicht. Ik som haar getallen uit de krant op.

Getallen uit een klein stukkie over schulden. 94.000 mensen in Nederland zitten in de schuldhulp. En één op de vijf gezinnen zit in de gevarenzone. En het worden er elk jaar meer. 

Lientje kijkt verbaasd op. 'Zoveel?' In mijn gedachten zit ik te bedenken dat er in mijn straat dan al gauw minstens acht huizen zijn waar mensen het niet al te breed hebben. 'Schuld is n kwoad baaist. Gain aine, dij hom hebben wil', zegt Lientje en ze richt haar gezicht weer naar de zon.

Ik vouw de krant op en ga naar binnen. Het is tijd om me voor te bereiden op de uitzending van de Noordmannen. Die schulden blijven in mijn hoofd hangen. Man, man wat veel. Ik heb ze gelukig niet en ook nooit gehad, voor zover ik weet.

Ik blader door de geschiedenis van het stripmuseum. De plek waar we vandaag te gast zijn met de Noordmannen. Ik kom erachter dat de allereerste Nederlandse strip is gemaakt en uitgegeven in Groningen. De maker was Jan Jacob Antonie Gouverneur in 1850. De strip heette Mijnheer Prikkebeen. Een vleug van Groningse trots waart door de kamer.

Verder kom ik stripnamen uit vervlogen tijden tegen als Tom Poes, Kapitein Rob en Eric de Noorman, de stripridder waar ik mijn radionaam Erik de Noordman van heb gepikt.

Mijn striphelden waren meer Suske en Wiske, Lucky Luke, De Wondersloffen van Sjakie, Kuifje en Donald Duck. Ik heb complete jaargangen van het stripblad gekoesterd en bewaard. 

Terugverlangend weg te dromen in een onbezorgde  jeugd, klim ik naar de zolder. Naar de dozen met al mijn stripboeken. De eerste de beste die ik tegenkom is Sjors en Sjimmie en de Koekfabriek.

Ik moet mezelf lostrekken uit het verhaal. Ik struun verder in de doos. Onderin liggen een paar losse dia's. Ik pak er één en houd 'm tegen het licht van het zolderraam. Er staat een striptekening op, van een vrouw die begraven wordt. 

In mijn geheugen staat gegrift wie deze dia getekend heeft: Johan. 

Johan was een jongen uit mijn klas. Op de havo. Johan was een vrolijk grappig mannetje met een brilletje en van die lieve blonde krulletjes. Johan was ook zo'n mannetje die bij gymles als laatste gekozen werd omdat zijn motoriek niet voor kastiebal of trefbal was gemaakt. Het deerde hem niet. Hij bleef er altijd even vrolijk onder. 

Wat Johan miste aan gymnastiekmotoriek, dat zat in zijn vingers. Hij kon als de beste tekenen. En dan vooral strips. Eigen getekende stripfiguren, verwerkt in kleine verhalen met humor. Johan schudde ze uit zijn mouw alsof er de toverballen van Hans Kazan in zaten. 

Ik was wel een tikkie jaloers. Ik kon niet tekenen. Ja, een Goofy of Mickey Mouse natekenen. Maar dan moest je wel heel goed kijken om ze te kunnen herkennen. 

Johan achtervolgde mij in mijn schoolloopbaan. Havo 4, twee maal havo 5 en daarna volgde hij mij 150 meter verder aan de Dirk Uipko Stikkerlaan op de Pedagogische Academie. Johan is misschien wel de jongen met wie ik het langst in een klas heb gezeten.

Toen Johan zijn onderwijzersdiploma al lang op zak had, worstelde ik wanhopig om mijn uit de klauwen gelopen studieachterstand in te halen. Dat deed ik met een project over integratie in de klas. Hoe kweekte je begrip van Groningse kinderen voor kinderen van over de grens, die plotseling in een Gronings schoolbankje kwamen zitten.  

Ik bedacht een verhaal over een Turks gezin dat in Hoogezand was komen wonen. Vader werkte op de scheepswerf en moeder probeert tevergeefs aansluiting te krijgen met de buurt. Hun dochtertje zat op de lagere school aan de rand van de wijk. 

Op een dag slaat het noodlot toe. Moeder overlijdt aan een hartstilstand en het meisje gaat van school, om terug te keren naar Turkije om naar Turks gebruik haar moeder daar te begraven, 

Ik presenteerde mijn verhaal aan de klas en leraren, met door Johan getekende striptekeningen op dia-formaat. Ik had Johan er om gevraagd, meer gesmeekt. Hij deed het. Zonder morren.  Nachtenlang is hij er mee bezig geweest om voor mij die dia-strip in microformaat te tekenen.  

Het was zo verbluffend goed, dat meisjes in de klas het niet droog hielden. Zo goed dat niemand mij wilde geloven dat ik zoiets moois kon produceren. Ik hield vol dat ik het verhaal zelf had gemaakt. Daar was ook niks aan gelogen. 

Ik kreeg de punten wel, maar met frisse tegenzin. Ik denk dat ze nu nog steeds aan het speuren zijn van wie ik dat verhaal en die ongelooflijke diavoorstelling had gepikt. 

Nou van Johan dus. Johan kwam ik laatst tegen in café De Klos. Hij stond al lang niet meer voor de klas. Hij had nog geprobeerd van zijn werk zijn hobby te maken, door een slijterij te beginnen, maar ook daar was hij maar mee gestopt. Tekenen deed-ie ook niet meer. Wat-ie wel deed, bleef een beetje vaag. Maar dat kanook door de vele biertjes zijn gekomen. 

Als ik later beneden kom, vertel ik het verhaal over Johan aan Lientje. Ook Lientje is ontroerd door het verhaal van het Turkse meisje en het monnikenwerk dat Johan voor mij had verzet. 'Hest hom toch wel bedankt he?'  

Ik kijk schuldbewust maar zeg niks. Ik voel wat komen gaat. En daar komt-ie ook: 'Schuld is n kwoad baaist. Gain aine dij hom hebben wil..'  

Maar, ik geef het niet graag toe, Lientje heeft gelijk.

Johan, bedankt voor alles.

Erik Hulsegge

Meer over dit onderwerp:
columns WINSCHOTEN
Deel dit artikel:

Recent nieuws