Column: Affengeil

'Affengeil!', zegt de verkoper in het voorbijgaan met een goedkeurende blik op Lientje. De blik is eigenlijk nog meer gericht op het achterwerk van Lientje. Dat is namelijk omhuld door een korte rok.

Lientje heeft de rok net daarvoor aangetrokken in het pashokje en bekijkt zichzelf nu in de spiegel. We zijn in de Zara, midden in het centrum van Oldenburg. Een gezellig dagje winkelen in Duitsland. Tenminste, tot nu toe is het erg gezellig.

'Wat zegt e nou Hinderk!? In de vraag klinkt verongelijktheid en boosheid door. 'Heur ik dat goud? Tegen mie? Affengeil? Oapegeil? Ik? Wat mout dij gaalsterd?' Ik voel een incident aankomen. 'Nee hor laiverd', sus ik.

'Dij man bedoelt dat dij rok die goud staait. Supergoed zelfs, constateer ik. 'Affengeil betaikent in Duuts heul schier. En dat hèt niks mit geil te moaken'.

Ik heb niet het idee dat Lientje me echt gelooft. Dat klopt ook, want hoe mooi haar de rok ook staat, in een mum van tijd hangt ie weer op het rek waar ze m vandaan heeft gehaald.

'Kom wie goan eem noar Leffers, doar hebben ze vast veul schierdere rokken', zegt ze meer tegen zichzelf dan tegen mij. Ze werpt nog een vernietigende blik op de onwetende verkoper en ze zet de pas er flink in.

Even later stapt Lientje met vier rokken over haar arm in een van de vele pashokjes van de damesafdeling van het grootste warenhuis van Oldenburg. Ik zit er vlak naast in een fauteuil. Dat kan gewoon in Leffers.

Affengeil mijmer ik nog even na. Verdwaald in de vertaling. Je zou er een film van kunnen maken. Ik herinner me nog een verdwaling in de vertaling.

Stoere stopwoorden. In mijn tienerjaren één van de troeven om sier te maken. Mijn vrienden kwamen met woorden als dombo, tabernakel of nog mooier oxyvibieus. Die woorden werden dan achter elk zinnetje gebezigd. Wat een mooi meisje, oxyvibieus! Moet je die auto zien met die sportvelgen, tabernakel. Of heel simpel; Dou eem normoal dombo!

Ik had er ook eentje bedacht. 'Hurrrrrr!!' Die had ik van twee stokoude mannetjes in de voetbalkantine van Roodeschool. Met hun oude verweerde handen op hun stok, vandaar ook stokoud, en een borreltje met suiker op tafel beschouwden ze het leven en het voetbal.

'Dat was nait best vanommedag Jan, hurrrrrr'! 'Och dij laange in de spits hèt ja horrelvouten, hurrrrr!!'

Elke zin werd voltooid met 'hurrrrr!' Ze spraken het uit als hoer met een lange rollende Groningse R. Hoerrrr!!! Dat hurrr is een verbastering van hurregot of harregat en dat is weer een Groningse verbastering van Heregod.

Ik had het ultieme stopwoord gevonden. En algauw was mijn hele vriendengroep ook aan de 'Hurrr!' Te pas en te onpas hoorde je Hurrr. In de schoolbanken, in de kleedkamer en in het café. En daar ging het mis.

Mijn vriend Hieronymus was nogal van de vrouwen. Helemaal van de mooie vrouwen. Op een goeie zaterdagnacht kwam in ons stamcafé t Pleintje twee mooie meiden binnen. Maar toenaderingspogingen van Hieronymus en van mijn andere vrienden en ikzelf hadden geen enkele zin. Hurrr...!' zei Hieronymus. Een van de dames die niet van hier waren, draait zich om en haalt vol uit in het gezicht van Hieronymus. De hele vriendengroep dacht 'Hurrrrrrr'. '

Maar zei het niet. Het bleef angstvallig stil. We hebben het nog geprobeerd uit te leggen maar het had geen enkele zin. De dames vertrokken in chagrijn.Verdwaald in het Gronings. 'Hurrr!' stierf die avond als stoer stopwoord.

'Hurrrrr', lach ik nog hardop na in mijn Duitse winkelfauteuil precies op het moment dat een oudere iets gezette dame uit het pashokje naast dat van Lientje komt. 'Ze kijkt me woest aan en zegt: 'Was meinen Sie?' Ik weet niet wat te zeggen. 'Affengeil', komt uit mijn mond. 'Ihr…. Ihr…. neues Kkkkleid is sehr schön bedoel ik'. 'Das ist mein eigenes', en de vrouw lijkt weer iets te ontdooien. Maar dan.

'Ich habe es nicht gewusst' . Ik hoor het mezelf zeggen. Ik kan wel door de grond gaan. De vrouw kent de oorlogsuitdrukking kennelijk ook. Ze denkt dat ze in de maling wordt genomen en is niet blij met mij als Nederlander. 'Du blöder Holländer' roept ze en beent woest weg.

Door het gordijn van het pashokje steekt het lachende hoofd van Lientje. 'Goud bezeg laiverd. Ik mout zeggen: dien Duuts hè. Doe kinst der wel wat van. Het is gewoon affengeil....'.

Erik Hulsegge

Als u denkt: dit komt me toch bekend voor. Dat klopt. Dit is een oude column die is geplaatst omdat ik even met vakantie ben.

Meer over dit onderwerp:
opinie columns Oldenburg
Deel dit artikel:

Recent nieuws