Column: Dreigbrieven, namens wie eigenlijk?

Als iemand mede namens jou een bos bloemen geeft, is dat leuk, zelfs als je daar niet om hebt gevraagd. Het levert een gratis bedankje op.

Maar ongevraagd onder de afzenders worden geschaard van een dreigbrief en aldus toetreden tot een clubje afpersers is minder comfortabel.

De afpersingsbrieven aan twee bouwbedrijven die zouden meewerken aan de ontwikkeling van de grote windparken in Groningen en Drenthe, spreken nadrukkelijk van 'wij'. 'Wij hebben met u minder geduld.' 'Geld dat u over onze rug verdient.' 'Geen enkel bedrijf kan zich verschuilen voor ons.' De afzender is dan ook: 'Uw provincie genoten (sic) over wiens (sic) rug u zich wilt verrijken.' Maar wie de brief leest, krijgt niet de indruk dat er een algemene ledenvergadering aan vooraf is gegaan. 'Zullen we die aanhef maar schrappen?' 'Haal hartelijke groeten ook maar weg.' 'Er moet nog een zinnetje in dat ook broodjeszaken niet veilig zijn voor ons.' 'Wie betaalt de postzegel?' 'Kun je hem nog één keer voorlezen?' 'Dan is het nu tijd voor de rondvraag.'

Integendeel. Het beeld dat oprijst is dat van een of twee boze individuen bij wie de gedachte heeft postgevat dat ze verzetsstrijders zijn tegen het kwaad in de vorm van een paar windmolens, vele malen groter dan de molentjes uit de tijd van Don Quichote. En verzetsstrijders mogen lekker alles. De eigen moraal gaat boven het algemene recht. Zolang hun 'cel' niet is opgepakt, zullen ze wel heel dapper anonieme dreigbrieven blijven schrijven aan kleine ondernemers in de buurt, want die aanpak heeft voorlopig succes. Dreigen is het nieuwe onderhandelen. Tot het moment natuurlijk dat ze worden gepakt, en ze geen helden meer zijn, maar gewoon verdachten van een misdrijf. Het moment dat die eigen moraal weer moet wijken voor het oordeel van de rechter.

De omwonenden van de toekomstige windparken zitten intussen in een spagaat. Zij worden bij die 'wij' uit die brief geschaard en ze zouden vast opgelucht ademhalen als die windmolenparken op het laatste moment toch nog worden afgeblazen. Tegelijk moet het een ongemakkelijk gevoel zijn om geassocieerd te worden met een paar aspirant-terroristen. Op zijn minst het gevoel van plaatsvervangende schaamte. Zoals veel Nederlandse moslims die ook gevoeld zullen hebben na de moord op Theo van Gogh. Hoezeer je die windmolens, die op een kilometer afstand verrijzen, ook vreest, je wilt niet bij een club horen die weerloze gezinnen bedreigt en afperst. Sterker nog, die dreigbrieven ondermijnen je positie als slachtoffer van de overheid en bedrijven die die windmolens erdoor hebben gedramd. Tabé moral highground.

Wat te doen als je in Meeden woont, en je schaamt je voor het gedrag van die zelfbenoemde 'verzetsstrijders'? Hoewel het ophangen van borden en spandoeken er, na Facebook en Whatsapp, het meest gebruikte communicatiemiddel is, ligt het niet voor de hand om een bord in de tuin te zetten dat je niet achter die terreur staat. Niemand heeft je daar immers van beschuldigd. Een collectieve brief opstellen waarin het dorp afstand neemt van die dreigbrieven, dit keer wél met een Algemene Ledenvergadering, is dus ook niet nodig. Maar individueel hebben Meedenaren misschien wel behoefte om zich te distantiëren. Zoals men bij een onterecht verwijt kan opmerken: 'Ik voel me niet zo aangesproken', zo zou je over deze brief voorzichtig kunnen mompelen: 'Ik voel me er niet zo door uitgesproken, maar ter wille van de buren hou ik mijn mond.' Want voor je het weet heb je zélf een dreigbrief in de bus.

Willem van Reijendam

Meer over dit onderwerp:
opinie GRONINGEN
Deel dit artikel:

Recent nieuws