Column: Mijn vader

Ik droomde zomaar over mijn vader. Dat doe ik anders nooit. Ik kan me ook niet heugen ooit over mijn vader te hebben gedroomd. En nu zat ik naast hem in de auto. Ik achter het stuur. Hij op de passagiersstoel.

Het ging over 'tien voor twee'. De manier waarop je het stuur van de auto beetpakt om goed te kunnen sturen. Ik rij altijd met mijn vingers losjes op de onderkant van het stuurwiel. De handen iets uit elkaar. Op vijf voor half zes, zeg maar.

Dat van die tijden heb ik geleerd van Jan Muis, de al lang overleden rijschoolhouder uit mijn stad. Ome Jan maakte van het autostuur een klok.

Mijn vader was de beste vriend van Jan Muis. Dus was de rijschoolhouder voor mij Ome Jan. 

'Je linkerhand linksboven op het stuur, je rechterhand rechtsboven. Op tien voor twee, zei hij. Dan kon je het beste en immer alert sturen. Ook was het volgens Ome Jan de beste manier om je handen over te kunnen pakken op het stuur als je de bocht om moest. 

In mijn droom reden mijn vader en ik door de polder. Het graan goud geel, stapelwolken erboven. In de auto was het stil. We zagen de schapen loom op het gras liggen, in de verte een fietser. We naderden een dijkgat. Ik minderde vaart. 

Op de dijk het mini-huisje met de balken, erachter vier bomen. Vlak voor het dijkgat een klein bordje. Daarop in zwarte letters Reiderwolderpolder. Losjes stuurde ik met mijn vingers de auto er doorheen.

Meteen na het dijkgat een scherpe bocht naar rechts. Ik moest mijn vingers van het stuur halen om dan over te pakken om de bocht te kunnen halen. 

Honderd meter verder bij twee bomen, een scherpe bocht naar links. Weer moet ik mijn handen op het stuur verleggen om de bocht te kunnen halen. Als we een paar tellen later de driesprong en een boerderij naderen, zegt mijn vader: 

'Tien voor twee, jongen. Tien voor twee. Dan ga je altijd goed….'  Hij steekt zijn arm uit naar rechts als teken dat we die kant op moeten. Zachtjes begint hij 'Nijstoatenziel' van Ede te fluiten. Met mijn handen op tien voor twee sla ik op de driesprong voor de boerderij, rechtsaf.  

Het is vandaag 30 juni, precies een jaar geleden dat mijn vader overleed. Ik zat naast hem toen hij zijn laatste adem uitblies. De adem die hij niet meer wilde. Het was op. Het was goed zo. 

Door de droom komen de herinneringen. Het beeld van mijn vader aan het hek van het voetbalveld als ik als klein rooie voetbalde, staat in mijn geheugen gegrift. Het stoeien op zondagmorgen als pa naar mijn mening veel te lang bleef liggen. De fietstochtjes daarna over Tranendal. 

Tussen de middag zwijgend soep met karbonade eten omdat pa G.B.J.Hilterman op de radio wilde horen. En 's middags pa aan het stuur van onze witte Opel Kadett, met kontje.

Mijn moeder met tas op schoot ernaast. Ik achterin. Mijn vader die mij al sturend uitleg gaf over het verschil tussen gerst en tarwe of wat EL op een Duits nummerbord betekende.  

Flarden van vroeger. Als kleine rooie in een wereld zonder zorgen. Een wereld waarin je vader een wijze man was die je overal doorheen loodste. Hij hoefde er alleen maar zijn. Meer niet. 

Nu is hij er niet meer, Hij is er niet meer om me met een woord, soms een vraag of een sturende blik de juiste richting aan het leven te geven. 

Ik moet me zien te redden met wat ik van hem heb gezien, wat ik van hem heb geleerd, wat ik weet. Ooit, toen ik van mijn leven een enorme puinhoop aan het maken was, werd hij niet boos, gaf hij geen blijk van teleurstelling, liet hij het gaan zoals het ging. Ik snapte dat niet zo. 

Nu wel. Hij had vertrouwen. Vertrouwen in mij dat ik het zelf zou gaan zien. 

Vanmiddag rij ik over Drieborg naar Nieuwe Statenzijl. Met de handen op het stuur, op tien voor twee. 

Erik Hulsegge

Meer over dit onderwerp:
columns Drieborg
Deel dit artikel:

Recent nieuws