Column: Mamil

Als je een halve eeuw geleden een zeldzame wielrenner zag fietsen, kon je nog het flauwe grapje debiteren: 'Hee, de Tour de France is al geweest hoor.' Maar tegenwoordig dendert een complete karavaan wielrenners over je heen voor je zelfs maar een grapje hebt kunnen bedenken.

Teruggelachen wordt er trouwens sowieso niet, want als er één eigenschap is van de wielrennende mens, dan is het wel een zure kop vol ergernis over de traagheid van de medeweggebruiker, een lijdende blik over de enorme hoeveelheid kilometers die vandaag nog volbracht moeten worden en vol gereformeerd plichtsbesef naar beneden getrokken mondhoeken. Hetzelfde pakket dus als het hardlopende neefje van de wielrenner, maar dan uiteraard ook nog met dat geïrriteerde belletje de godganse tijd.

De opkomst van de 'mamil', middle aged men in lycra, is alweer decennia gaande en de piek is nog altijd niet bereikt. Blijkbaar kiezen veel burgers ervoor om zich bij deze fietssekte aan te sluiten, want 'if you can't beat them, join them'. En wie niet op een racefiets past, koopt iets wat zonder veel inspanning ongeveer even hard gaat, zoals die nieuwste plaag op de fietspaden, de speed pedelec. Als een dolgeworden troep lemmingen fietsen de wielrenners zo hard mogelijk vooruit, alsof de dood hen op de hielen zit. Dat deze, net als in het bekende gedicht 'De Tuinman en de Dood' van Pieter van Eyck, even verderop gniffelend staat te wachten, komt niet in hen op.

En als het al niet de dood is, die de hardfietsers op staat te wachten, dan is het wel een kudde langzaamfietsers, die het hele fietspad meent te moeten blokkeren. Een tros bejaarden of een horde schoolkinderen. Zo kwam afgelopen donderdag op de Madijk in Eelderwolde een roedel wielrenners, van fietsclub Kop d'r veur in onzachte aanraking met een zwerm schoolmeisjes, die 'breeduit op het fietspad fietsten', zoals een van de gevallen wielrenners klaagt. De ene club wilde niet remmen, de andere niet wijken. De botsing was dan ook niet zozeer een voorrangskwestie, als wel een conflict over de rechten die je op een fietspad mag opeisen. Mag je er zo hard als je kan? Mag je er zo breed als je kan? Het zijn geen botsende regels, maar botsende denkwerelden. En botsende fietsers dus.

De pavlovreactie van de plaatselijke politieke partij is op zulke momenten: het probleem oplossen door het te verplaatsen. In dit geval dus: het fietspad verbreden, opdat hardfietsers en breedfietsers elkaar niet in de weg zitten. Nog afgezien van de vraag of dat allemaal wel kan, qua stikstofnormen, heeft zo'n fietspad een sterk aanzuigende werking op de mamil. Op een breder fietspad kun je nóg harder en nóg breder fietsen en dito botsen. Versmallen dan? Dan krijg je het waterbedeffect en nemen de wielrenners een andere route, met die belletjes van ze.

Aangezien noch de hardfietser noch de breedfietser concessies gaat doen, zullen we in het moderne fietsverkeer moeten leren leven met gevloek, gierend remmen en opgestoken middelvingers. In dat opzicht is het fietspad een prima model voor de samenleving, met zijn strijdige belangen. Het leven is nu eenmaal dringen. Alleen zouden die racefietsers es wat vaker moeten lachen. Voor een blije fietser, gaan we toch liever opzij dan voor zo'n treintje samengebald chagrijn. En dan kan er misschien zelfs een grapje af. Gelukkig is de Vuelta bijna afgelopen.

Willem van Reijendam


Toegift:

Voor de liefhebber zet ik het gedicht van Van Eyck uit 1925 (ontleend aan, zeg maar gerust gejat van, de Franse schrijver Jean Cocteau) er nog even bij:

De Tuinman en de Dood

Een Perzisch Edelman:

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: 'Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!' -

Van middag - lang reeds was hij heengespoed -
Heb ik in 't cederpark de Dood ontmoet.

'Waarom,' zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
'Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?'

Glimlachend antwoordt hij: 'Geen dreiging was 't,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen 'k 's morgens hier nog stil aan 't werk zag staan,
Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan.'

uit: Verzameld Werk van P.N. van Eyck (1887-1954)

Meer over dit onderwerp:
opinie
Deel dit artikel:

Recent nieuws