Column: t Komt aal goud meester

Soms plopt er zo maar iets op uit je geheugen. Iets waar je al heel lang niet meer aan had gedacht. Iets wat je eigenlijk al lang vergeten was. Ik had het van de week. In het UMCG. In de wachtkamer. Ik zei het bijna hardop: 't Komt aal goud meester…'

Tegenover mij aan de tafel in de wachtkamer zit mijn moeder. Haar onrustige ogen diep in de kassen. Ze 'frummelt' met haar vingers en zucht eens diep. Het is al de derde diepe zucht in een paar minuten. 'Tja', zegt ze. 'Tja', zuchtend in en tegen zichzelf.

We wachten tot we aan de beurt zijn bij de MDL-arts. Dat MDL staat voor Maag Darm en Lever. Een wachtbeurt van een moeder en zoon. Eentje waarin je duizend doden sterft. 

Ze hadden bij een controlescan weer 'iets' gevonden bij mijn moeder.

Onderzoek na onderzoek in het ziekenhuis volgde. En nu krijgen we de uitslag van al die onderzoeken. De ondraaglijke spanning aan de wachtkamertafel is voelbaar. En zo nu en dan ook hoor- en zichtbaar. 

Hoe moet je je voelen als vrouw van dik in de tachtig die over een paar minuten krijgt te horen of je ook ernstig ziek bent? Of niet. Of je misschien wel dood gaat? Of niet.
't Komt al goud meester…', hoor ik in mijn hoofd. Ik krijg er meteen het beeld van een vrolijk jochie bij. Dat jochie is Leo. Leutje Leo.

Leo was klein en pezig van stuk. Een guitig hoofd met krullend donkerblond haar. Leutje Leo was van de school voor Moeilijk Lerende Kinderen. De school waar ik dik dertig jaar geleden stagiair was. Leo kon niet goed klokkijken. De grote wijzer op twaalf en de kleine op zes. Dat was voor hem geen zes uur. 

Ook was hij niet goed in centjes tellen. Van twee dubbeltjes en een stuiver kon hij geen kwartje maken. Ook was hij niet zo goed in opletten. Leo zat altijd achterstevoren in de schoolbank.

Waar Leutje Leo wel goed in was, was in kattenkwaad. Mijn jas onder die van de meester hangen, zodat ik hem niet kon vinden. De borstel van het schoolbord verstoppen in de prullenbak. Knokken met de oudere jongens van de school. En een gat in het hoofd toen hij fietsend op een wiel de bosjes van het schoolplein inreed. 

Maar op Leutje Leo kon je niet kwaad worden. Hij keek je aan met zijn grote onschuldige ogen en je boosheid smolt als sneeuw voor de zon. Thuis had Leo het niet breed, maar de lach om zijn mond verdween nooit. Op een keertje na. Op schoolreis.

We kampeerden in Grolloo. In kampeerboerderij de Boerhaarshoeve. In de schuur een paar slaapzalen met stapelbedden, een grote keuken en een gezamenlijke ruimte met lange tafels met houten stoelen. 

Vanuit de Drentse Boerhaarshoeve maakten we Drentse fietstochtjes. Naar de Iberenplas, naar reuzen Ellert en Brammert en naar het hunebed. Die fietstochtjes waren best wel een hele toer. Moeilijk lerende kinderen zijn niet zo goed in fietsen. In die zin dat ze zich moeilijk kunnen concentreren en dan ligt het gevaar voor een ongeluk op de loer.

Daarom fietsten wij niet in een hele lange sliert, maar in groepjes van vier met elk een begeleider. Ik werd de begeleider van het groepje met Leutje Leo, omdat de meester ook wel zag dat Leo en ik het heel goed met elkaar konden vinden. Ik hoefde ook alleen maar hem in de gaten te houden, want de andere drie van het groepje waren de beste fietsers van de hele wereld. 

Dagenlang ging het hartstikke goed. Zelfs geen enkel hachelijk moment van 'Paaltje!'. Je kent het wel. Eentje voorin de groep waarschuwt voor een paaltje op het fietspad, maar er is er altijd wel eentje die het niet hoort en bovenop het paaltje knalt. Het ging allemaal goed.

Tot onze trip naar de reuzen Ellert en Brammert. We waren bijna weer terug bij de hoeve en hadden nog even een pitstop gemaakt voor een bekertje ranja bij de Iberenplas. 

Leutje Leo fietste als achterste in mijn groepje van vier op het fietspad langs de weg. Iemand riep: 'Most kieken, n kniene'. Leo zijn blik ging meteen het bos in en zag niet dat de hele groep voor hem stopte. Voordat ik iets kon zeggen, raakte het voorwiel van Leo het achterspatbord van het meisje voor hem. 

Daardoor schoot zijn fiets naar rechts de weg op vlak voor een auto langs. Op een haar miste hij een aanstormende trekker die van de andere kant kwam en belandde uiteindelijk aan de overkant in de sloot. Ik stond al bij de sloot, toen Leo er met zijn onschuldige blik uitkroop. 

Ik gooide al mijn woede op hem en op die op mezelf eruit. 'Potverderdorie Leo. Kijk toch uit je doppen!' Leo begon  te huilen en werd boos. Boos op mij. Hij wilde niet meer met me fietsen. Niet meer met me praten. Ook niet toen ik een voorzichtige toenaderingspoging deed. Leo lachte niet meer en zei ook niks meer. Ik zat ermee in mijn maag.

De volgende dag was er iets met mijn fiets. De ketting liep er steeds af. Ik legde hem er met mijn twee linkerhanden onder het smeer weer op. Bij het wegfietsen brak de ketting plotseling en viel ik met fiets en al tegen een hek van een weiland met schapen. Bij het omhoog krabbelen keek ik recht in het gezicht van Leutje Leo.  

Hij keek me aan en zei: 't Komt aal goud meester…' En begon toen te lachen. Ik lachte met hem mee. Als er tijdens de rest van de schoolreis iets mis dreigde te gaan of ging, klonk het uit tientallen kelen: 't Komt aal goud meester…'  

'Piep!' Op het digitale wachtbord van de wachtkamer verschijnt ons nummer. Even later zitten mijn moeder en ik aan het bureau van de MDL-arts. Een vriendelijke jonge vrouw met een olijk gezicht en krullend donkerblond haar.

Ze wendt haar ernstige blik naar mijn moeder, wacht even en zegt: 

'We hebben alles eens goed bekeken, mevrouw... Maar u bent helemaal gezond…' 

Fijne Kerstdagen, Erik Hulsegge

 

Meer over dit onderwerp:
columns Groningen
Deel dit artikel:

Recent nieuws