Column: De Nacht

Door het gordijn komt een streepje licht dat op het witte plafond langzaam groter wordt. Ze ligt op haar rug met haar hoofd in het kussen en zo ligt ze al een poosje. Wakker zijn tot het licht wordt. De nacht is lang, in haar maalstroom van pijn en zorg.

De rustige adem van haar man Geert die heel af en toe even stokt en het geluid van een trein in de verte doen niets vermoeden van haar verdriet. 

Het was begonnen toen ze Mans, hun Duitse herder, hadden weggebracht. Mans was bijna vijftien jaar bij hen geweest. Geert was gek met zijn hond en de hond met hem. Zag je Geert, dan zag je Mans. Zag je Mans, dan zag je Geert. 

Een riem had Mans niet. Hij volgde Geert in alles. Naar de tabakswinkel op de hoek van de straat, op het tuinpad als Geert de 'Waalze bonen' plukte en uitgestrekt voor de stoel van Geert als zij hem koffie met een plakje Oude Wijven voorzette en Geert dan altijd de helft van zijn koek met een liefdevol 'Hier mejong' aan de hond gaf.  

Dat Mans een Duitse herder was, wilde Geert eigenlijk niet weten. Dat Duitse mocht er wel af. Kleinzoon Teun had gevraagd waarom Mans een Duitse herder heette. 't Is gain Duutser, t 'is n Grunneger', was het antwoord van opa Geert. 'Mans kin aal gaain Duuts'. Hij bewees dat met een stukje metworst. 

Geert hield het stukje 'dreuge' worst voor de neus van Mans en zei 'Geef mor n poot' en hij had het nog niet gezegd of de poot van Mans ging de lucht in en hij hapte het stukje worst in twee happen weg. 'Gib mal ein Bein', zei opa Geert daarna met een lege hand. Er ging - ook bij een tweede en derde keer 'Gib mal ein Bein' - geen hondenpoot de lucht in.

'Zugst wel', zei Opa Geert tegen zijn kleinzoon. 'Mans kin gain Duuts'.  

Toen Mans zijn heupen niet meer wilden en het leven langzaam uit de hond verdween,  brachten ze hem met lood in de schoenen naar de dierenarts. Geert had dagen daarna geen woord gezegd. 

Op een morgen was ze wakker geworden en lag Geert niet naast haar. Ze hoorde geen gestommel in huis. Ze vond hem in de tuin. 'Ik wol eem mit hond lopen, mor ik kin hom nait vinnen', had hij met ontredderde stem en nietsziende ogen gezegd. 

Ze had hem meegetroond naar binnen en hem bezworen dat Mans er niet meer was. Bij de koffie was hij weer gewoon Geert geworden. 'Ik heb zeker dreumt', zei hij vergoelijkend. Daarna begon hij dingen te vergeten. De namen van zijn kleinzoons, de kachel die hij altijd voor het naar bed gaan op laag zette, zijn oude Fongers die hij bij de tabakswinkel liet staan en de radio, die nooit meer - zoals eerder altijd - op Noord stond. 

Ook was ze hem een keer heel vroeg in de morgen helemaal kwijt geweest en had ze de politie gewaarschuwd. Die had hem in pyjama gevonden bij het bos aan de andere kant van het spoor. 'Ik heb mie versloapen, ik kom veuls te loat op t waark' had hij tegen de agenten gezegd. Geert werkte vroeger als bankwerker bij de machinefabriek langs het spoor. De machinefabriek is er al jaren niet meer en Geert is al even lang met pensioen. 

Het werd zo erg met Geert, dat ze ook niet meer in hun eigen huisje konden blijven wonen. De moestuin zag er niet meer uit als een moestuin, de kozijnen waren afgebladderd en in het schuurtje stond alleen nog maar rommel. 

De verhuizing naar de aanleunwoning bij het verzorgingstehuis had Geert niet begrepen. Hij had nog een paar keer zonder sleutel voor de deur gestaan van hun oude huis. In die tijd ontstond ook zijn wrokkigheid, zijn boosheid. En werd zij zo maar uit het niets mikpunt van zijn scheldpartijen.

Ze kon niks meer goed doen. Het raakte haar in haar ziel. Maar ze vond het nog erger om te zien, dat hij het zelf in de gaten kreeg, dat hij haar pijn deed. En hij met schuldige ogen zei: 'Ik dou n beetje vrumd, hè laiverd...' 

Zo in bed naast hem moet ze denken aan een liedje van Ede Staal. Het liedje De Nacht. Het was Geert's favoriete liedje. Alleen om die ene zin: 'De klok dij luudt n knitter in t matglas van mien dinken…'  

'Hou kin je dat wel bedinken' had hij bijna alle keren geroepen als de laatste klanken weg stierven van Ede's liedje. Geert noemde het de schierste zin oet de Grunneger toal. ''n Knitter in t matglas van mien dinken….'  

De zin echoot nog een paar keer na in haar hoofd. Ze denkt aan de vertroebelde geest van haar man. 'Matglas is ook glas' zegt ze in gedachten tegen zichzelf. Ze draait zich in bed naar haar slapende Geert. Ze geeft hem heel zachtjes een kus op zijn wang. 

Op zijn mond verschijnt een grote glimlach…..

Erik Hulsegge

Het Radio Noord-programma Noordmannen tussen 8.00 - en 10.00 uur staat helemaal in het teken van Ede Staal vanwege de lancering van de podcast Credo, het leven van Ede Staal

Meer over dit onderwerp:
columns Winschoten
Deel dit artikel:

Recent nieuws