Column: Hij was er altijd

Er zijn van die dingen waar je nooit meer aan denkt. Van die dingen die je voorgoed uit je geheugen hebt gebannen. Tenminste dat denk je. Want soms brengt een willekeurige geur, een flard muziek of een enkel woord een diep verstopte herinnering weer boven.

Het overkwam me van de week in de Appie. 

Achter mijn coronaverplicht karretje dwaal ik door de gangpaden op zoek naar iets waarvan ik weet dat ik dat moet kopen, maar niet meer weet wat dat is. En waar ik waarschijnlijk pas achter kom, als ik weer thuis ben. Boodschappenlijstje, hoor ik je denken. In mijn eigenwijsheid ben ik zo dom om te denken dat ik zonder lijstje kan. 

In het gangpad van de kruiden en de oosterse gerechten staat een man zonder kar met zijn rug tegen het voor mij rechterschap te staren naar de overkant, naar het linkerschap met de kruiden. Hij zoekt iets. De man heeft een lichtkleurig joggingpak aan. De rits van het jasje staat open. In het zwarte borsthaar van de man hangt een gouden schakelketting.

Door die ketting en het borsthaar vliegt het beeld van een man door mijn hoofd die zo'n 25 jaar geleden naast mij zat in een vliegtuig. Een vlucht van Los Angeles naar Amsterdam in een 747, een Jumbojet. Mijn broer zit aan het gangpad, ik zit ernaast in het midden en aan het raam zit een man in een spierwit vrijetijdspak met zwarte cowboylaarzen aan zijn voeten.

Hij heeft zwart haar, een dunne snor en een pokdalig gezicht. Hij heeft wel iets van de Libische dictator Khadaffi en Sammy Davis junior tegelijk. De rits van zijn jasje staat open. Een grote schakelketting hangt in zijn wollige borsthaar.

Er hangt iets excentrieks, iets mysterieus om hem heen. 'Hello sir', denk ik in mijn groet te weten dat het een Amerikaan is. 'Hi there' antwoordt hij vriendelijk en voordat het vliegtuig is opgestegen raken we in gesprek. De man vraagt wat wij - en hij knikt naar mijn tweelingbroer - in The States hebben gedaan. 

Ik leg hem uit dat wij aan een tweelingonderzoek hebben meegewerkt. Een wetenschappelijk onderzoek naar tweelingen die bij de geboorte gescheiden zijn. De man wil weten hoe dat zit. Ondertussen vraagt hij of we iets willen drinken. Wij laten witte wijn aanrukken. De man whisky. 

Ik vertel hem in geuren en kleuren ons levensverhaal. De man is onder de indruk en wil alles  weten. Als we uitgepraat zijn over het tweelingverhaal, is het een tijdje stil naast mij. De man is in gedachten. Hij bestelt andermaal een whisky. 

Als hij twee flinke slokken heeft genomen en terwijl de ijsblokjes rinkelen in het glas, zegt hij ineens: 'I can't beat yours, but I can tell you my story' en zonder antwoord af te wachten begint hij aan zijn verhaal.

De man blijkt geen Amerikaan maar een Egyptenaar uit Caïro. Ravic, 'call me Raf', woont alweer jaren in Los Angeles. Hij drijft in 'downtown' een sportbar. Een bar vol televisies met sportwedstrijden en in de bediening 'beautiful girls' zegt hij met een lachje.  
Als tienerjongen werkt hij in Caïro in een groot duur restaurant. Afwassen en schoonmaken. Op een dag komt een gezelschap Amerikaanse diplomaten binnen die dure sigaren roken en grote glazen whisky drinken.

Op een gegeven ogenblik ontstaat er een opstootje omdat een van de Amerikanen, een oudere man met grijs haar, denkt dat zijn portemonnee is gestolen. Restauranteigenaar, politie erbij. Maar de portemonnee komt niet boven water. 

Bij het schoonmaken aan het eind van de avond vindt de jonge afwasser en schoonmaker de portemonnee vol Amerikaanse dollars in de wc achter de wc-pot. Via de sleutelkaart ontdekt hij dat de Amerikaan in het Hilton Hotel verblijft, enkele straten verderop. 

De man is stomverbaasd dat de jongen zijn portemonnee terugbrengt en geeft hem spontaan 100 dollar. Dat geld is met zijn eigen spaargeld het begin van de grote reis van de Egyptische jongen naar een beter leven. Hij stapt op een schip om naar zijn broer in Zweden te gaan. Via ongelukkige omzwervingen in Griekenland en Italië belandt hij berooid op een bankje van het treinstation van Genève. Zweden is nog heel ver weg.

Ontredderd en uitgehongerd denkt hij aan het vroegtijdige einde van zijn reis te zijn gekomen. Plotseling schudt iemand aan zijn schouder. 'Raffi boy, is it you?'. De jongen kan zijn ogen niet geloven. Het is de Amerikaan wiens portemonnee hij in Caïro had gevonden. 

De man moet naar een vergadering van de Verenigde Naties. De jongen vertelt wat hem is overkomen. De Amerikaan, hij heet Moss, trekt andermaal zijn portemonnee. Moss drukt hem op het hart dat hij altijd welkom is bij hem in LA. Met tweehonderd Amerikaanse dollars van Moss weet Raf zijn broer in Zweden te bereiken. 

Zweden blijkt niet het beloofde land en met de trein via Duitsland komt hij via Nieuweschans Nederland binnen. Raf vertelt dat hij nog een tijdje illegaal in Groningen in een shoarmatent heeft gewerkt. Later in Amsterdam weet hij bij een inval in een kraakpand, waar hij verblijft,  ternauwernood aan de politie te ontsnappen en moet hij op straat leven. 

Andermaal denkt Raf dat zijn reis ten einde is gekomen en dat hij met hangende pootjes terug moet naar Caïro. Dan denkt hij aan Moss uit Los Angeles. Met zijn laatste geld koopt hij een ticket naar Amerika en staat op een avond op de stoep het huis van de Amerikaan achter Hollywood Boulevard. Moss ontfermt zich over de jongen en bezorgt hem een baantje in een sportbar. Een bar die hij later over zal nemen. 

De twee worden vrienden voor het leven en elke donderdagavond, gaat Raf week in week uit op bezoek bij zijn oude vriend. Het wordt een stilzwijgende gewoonte. Als hij net de nieuwe eigenaar is van de sportbar en veel dingen moet regelen, belt Moss hem op 'Of hij die avond wel wil komen'. Raf antwoordt dat hij het nog niet weet omdat hij het zo druk heeft met van alles. 

Die avond gaat Raf niet naar zijn oude vriend en zit hij tegen middernacht met een glas whisky aan zijn eigen bar en mijmert dat het de allereerste keer is dat hij niet bij zijn vriend op bezoek is gegaan. En hij had nog wel gebeld. Raf voelt zich schuldig. 

Plotseling gaat er een alarmbel af in het hoofd van de Egyptenaar. Moss belde anders nooit. Nooit. Hij ging altijd. Daar hoefde hij niet om te bellen. En nu belde Moss en was hij niet gegaan. Ongerustheid kruipt in zijn hoofd. Raf stapt in zijn auto en rijdt naar het huis achter Hollywood Boulevard .In het trapgat vindt hij zijn Amerikaanse vriend hangend aan een touw.  

De tranen staan in de ogen van de Egyptenaar als hij uit is verteld. 'He was always there... I wasn't…'  Hij was er altijd. Ik was er niet, zegt hij met een stem vol schuld en spijt en drinkt zijn glas whisky in een teug leeg. 

'Kan ik u ergens mee helpen mijnheer?' zeg ik tegen de zoekende man met gouden ketting in joggingpak in het gangpad van de Appie. 

Erik Hulsegge

Meer over dit onderwerp:
columns Winschoten
Deel dit artikel:

Recent nieuws