Coronacolumn (4)

Het begint altijd al in december. Terwijl ik in het donker naar mijn werk ga en in het donker weer thuiskom, is daar ineens een berichtje van mijn moeder. De kortste dag is voorbij!

Het is het begin van een weg die we maar al te graag samen bewandelen: de weg naar de lente.

In februari kijken we elkaar stralend aan: volgende maand is het zover! Op 1 maart staan we verwachtingsvol te trappelen; we zijn er bijna! Nog drie weken en dan is het lente.

Na het weten komt dit weekend ook het voelen. We stappen naar buiten om een balletje te trappen en ineens merk ik het. De wind ligt, de ochtendkou is verdwenen, het grasveld is niet meer zompig en de zon is fel.

We herontdekken de tuin, die ons de hele winter als een in de steek gelaten nest heeft aangekeken. Met ingepakte stoelen, opgestapeld speelgoed en verdorde bloemen. Een verlaten plek, met levenloze dingen.

Wat onwennig gooien we de deur open. Ik zoek het gereedschap bij elkaar waarmee ik ieder voorjaar het onkruid tussen de stenen weg steek. Op handen en voeten kruip ik over het terras dat met elke steen een beetje mooier wordt.

Ik kijk even naar de buurman die met zijn hogedrukspuit in een half uur klaar is. Ik negeer de bestrijdingsmiddelen die me het werk uit handen kunnen nemen. Het onkruid zal binnen de kortste keren terug zijn, weet ik. Ondanks of dankzij de zinloosheid van de klus geniet ik.

Ook zoons zijn buiten. Met de troep die ik maak koken zij een soepje van modder, mos en onkruid. Ze maken een beestjeshuis voor slakken, wormen en lieveheersbeestjes. Samen zien we de vlinders en horen we de vogels. We eten het eerste lenteijsje en de wereld lacht ons toe.

Ik weet dat alles anders is dit jaar. Maar nu even niet.

Meer over dit onderwerp:
coronavirus columns GRONINGEN
Deel dit artikel:

Recent nieuws