Column: Het definitieve einde van een café

Op weg naar mijn moeder fiets ik door de stad. Een ‘moi’ naar de tegemoet fietsende tandarts. Een ‘moi’ van de visboer. In mijn ooghoek zie ik beweging bij mijn oude al heel lang verlaten stamkroeg. De deur staat open.

De klok van de toren beiert elf uur. Het tijdstip dat de dikke deur met het luikje van het café altijd openging. Binnen zie ik in het schemerdonker beweging van bouwvakkers. Eigenlijk wil ik even stilstaan, wil ik weten wat er gebeurt. Mijn moeder wacht, dus fiets ik door.

Het beeld van het open café blijft al fietsend in mijn hoofd hangen. Ergens mis ik iets in dat beeld. Iets wat niet klopt. De dikke deur met het luikje is er al lang niet meer. Het is iets wat er nu niet is. Ik kom er niet op.

Zal in het oude pakhuis weer een kroeg komen, mijmer ik verder. Komt het kletsen van de dobbelbekers op de houten bar weer terug, horen we ‘This is not a lovesong’ van PIL weer uit de luidsprekers schallen, zal de bierwagen op dinsdag weer voor de deur staan?

De ene na de andere herinnering aan de goeie oude tijd komt naar boven. Uitsmijter Henk die ooit een boom van een kerel vliegend het café liet verlaten. ‘Hai mout mie nait dollen’, was zijn knokkelwrijvend commentaar.

Barkeeper Kriel die een bestelling van vijf Spa Rood aannam van een hippe jongen, hem even twee tellen aankeek en toen zei: ‘Bist toch nait zaik?’

Magere Dickie, die zijn voormalige baas een enorme oplawaai gaf omdat hij, strontlazarus, hem het bloed onder de nagels vandaan haalde. Dickie daarna de Dutch Windmill werd genoemd naar bokslegende Bep van Klaveren.

Rico, die bier rondbracht op een dienblad op de bovenste verdieping. Dat je aan de hoeveelheid gemorst bier in het dienblad kon zien hoe de drankstand van de ober zelf was.

Tuf die een glas bier op zijn dikke ‘pokkel’ kon zetten. En dat glas bier er gewoon vijf minuten kon blijven staan zonder dat er een druppel bier uitviel.

De Sardijnse clan met Lorenzo, Biagio, Quinto en Francesco die hun eigen taal hadden vermengd met Nederlands. En met Oost-Gronings. Het rauwe ‘Doe dom hond!’ en ‘Doe Jan Bakker!’ klonk ineens melodieus mooi.

De twee blauwe zaterdagen dat ik mocht werken in mijn stamkroeg en baas Jan na de tweede zei: ‘ t Liekt mie beter dastoe weer aan aander kant bar zitten gaaist, dat is beter veur de omzet.

De steevaste begroeting van ‘Aaaah Moi’ als een stamgast aanschoof aan de bar. En hetzelfde steevaste knalharde ‘Op Berre!’ van Bertje als de kroeg ging sluiten. Ongemerkt verschijnt een glimlach op mijn mond als ik denk aan een oude vriend.

Ik zag hem voor het eerst op het voetbalveld. Ergens tussen Exloërmond en Afdraai. Ergens eind jaren tachtig. Een beetje rare kwibus die als spits mij als laatste man net iets te vaak zijn hielen liet zien en dat dan ook vilein liet merken. ‘Kinst die Indioane toch wel hebben’, zeiden mijn ploeggenoten smalend.

Diezelfde kwibus liep enkele jaren later zo maar op een avond mijn stamcafé binnen met een cluppie van de krant. Aan de troebele blikken en de bewegingen te zien hadden ze een heel gezellig feestje gehad. De man die ik kende van het voetbalveld had het minste zicht van allemaal.

‘Dou hom eem n Underberg’, zeiden zijn metgezellen. ‘Hai mout eem n opkikkertje’. Even later werd hem het kleine Duitse flesje met alcoholische kruidendrank aangereikt. Het pakpapiertje was er al om weg gehaald De man die ik kende als voetbalkwibus en vlak daarna een collega en vriend werd, zette het meteen aan zijn mond en gooide zijn hoofd in een beweging in zijn nek.

‘Goh wat is dit ja lekker..’. zei hij uit de grond van zijn dronken hart, toen hij het flesje met een klap op de bar zette. Zijn makkers lagen op dat moment onder de bar van het lachen. Mijn latere vriend was even vergeten dat er op een flesje Underberg een dopje zit die je er eerst moet afdraaien om te kunnen drinken.

Onlangs las ik een stukje van hem dat hij niet kon slapen en midden in de nacht met een fles whisky op de bank lag. Hij zou de dop toch wel van de fles hebben gedraaid, dacht ik al lezend en lachend.

Alles kon in die tijd, denk ik als man van vroeger was alles beter. Verdold, wat mis ik dat dom gekwak.

Op de terugweg van mijn moeder rijd ik er weer langs. Een man is hoog aan de gevel in een bakje van een rijdende steiger de cijfers 1865 aan het schoonmaken. Weer krijg ik het gevoel dat er iets niet klopt. Ik kijk nog eens omhoog langs de pakhuisruitjes. Dan zie ik het. Beter: dan zie ik het niet.

De letters zijn weg. De letters die de naam van mijn stamkroeg vormden. De naam van het roemruchte café hing decennia lang in kenmerkende grootse letters aan de gevel. Ook toen het café al lang geen café meer was.

De letters zijn roemloos verwijderd. Het einde van een geschiedenis. Het definitieve einde van eetcafé ‘t Pleintje.

Erik Hulsegge

Het voormalig pakhuis, mijn oude stamkroeg, wordt een kantoor hoorde ik een goede vriend vertellen.

Deel dit artikel:

Recent nieuws