Column: Week van de terugkeer

Het was de week van de terugkeer. Een soort rentree in het normaal. Het begon in het café. Ik was sinds de uitbraak van het coronavirus niet meer naar de kroeg geweest. Jeetje, hoe lang is dat wel niet. En dus werd het hoog tijd, vond ik en toog naar café De Klos.

De eerste de beste tegen wie ik aanliep was Riekje. Riekje van Geert. En waar Riekje is, is Geert ook. En inderdaad. Geert liet zich even verderop aan de bar het bier in een immens halve liter-glas goed smaken. Bij het zien van mijn hoofd, vertrok zijn gezicht en draaide hij zich grommend en mokkend naar zijn bierpul.

Ik kreeg het idee dat hij boos op me was. ‘Moi’, zei ik. ‘Zet nait zain’. Geert bleef in zijn glas staren en ik hoorde iets van ‘hhmm-hmmm-hmmm’. ‘Stel die nait zo aan’, hoorde ik Riekje zeggen. ‘Hai haar mie toch mor nuimen kint...’, kwam het chagrijnige hoge woord eruit.

Bij een vorig stukje van mijn hand over het definitieve einde van het roemruchte café t Pleintje had ik hem niet genoemd. Geert hoorde ook bij het inventaris van de oude pakhuiskroeg en dat had ik niet benoemd. ‘En doe zeest altied dat ik de beste barkeeper van Grunnen was’, keek hij mij al iets minder boos aan. Ik zette Geert een nieuw en vol halve liter-glas op de bar en zei ‘Komt wel goud’.

Zes bierrondjes verder zag ik plotseling flitsen op het plafond. Alsof iemand met een laserpen mij en het plafond zat te beschijnen. Om gek van te worden. Ik keek om me heen maar zag die kinderachtige dader niet. ‘Wat n vrezelk geflits nait?’, zei ik. Riekje vond het ook irritant en vroeg zonder verder te kijken aan de barjuffrouw waar dat geflits vandaan komt.

Die keek alsof wij knettergek waren. Waarom, daar kwam ik achter toen ik - nog zes bier verder - naar huis waggelde en ik nog steeds die flitsen zag. Ik dacht even dat er vreemde dingen in mijn bier hadden gezeten. Maar eenmaal thuis kreeg ik in de gaten dat die gekke lichtflitsen in mijn rechteroog zaten. Ook de volgende morgen nog.

Dus maakte ik enkele dagen later mijn rentree bij de oogarts. In Stadskanaal. ‘U was hier voor het laatst in 1976’, zei de assistente. Dat kon kloppen. Als leutje rooie ging ik met mijn moeder aan de arm op consult bij de beroemde dokter Worst. U weet wel; de man die een bijna blinde Willem ‘De Kromme’ van Hanegem weer zicht gaf.

Dokter Worst constateerde een afwijking aan mijn rechteroog en daar zaten nu die flitsen in. De oogarts van nu, een hele vriendelijke vrouw, keek eerst zorgelijk en vervolgens heel diep in mijn ogen. Met een of andere ultramoderne zaklantaarn en niet met andere intenties.

Een wondje en ouderdom, was haar conclusie na haar minutieus onderzoek.

Vooral dat laatste deed pijn. ‘Komt wel weer goed’, zei ze. Mijn oog moest even wennen aan mijn ouderdom. Dat deed weer pijn. Maar ze heeft gelijk. Ouderdom komt met gebreken. Zeker bij mij. Twee dagen later maakte ik na gedwongen coronapauze mijn rentree bij de fysio. Vanwege de eeuwige pijn in mijn rug.

Mijn fysio ging eens even checken of ik in de maandenlange rust van de corona zijn opgegeven oefeningen wel had uitgevoerd. Ik slaagde met vlag en wimpel. Hij keek stomverbaasd wat ik allemaal kon. ‘Zo’, zei hij met veelbetekenende blik. ‘Dan wordt het hoog tijd om de lat hoger te gaan leggen.’ De volgende dag was ik gebroken van de spierpijn.

Dat deed mij weer besluiten om mijn terugkeer te bespoedigen in de sportschool. Op de dag dat het weer mocht, stond ik voor de deur van de sportschool met een groepje andere fanatiekelingen. Wij stormden naar de wasbak om handen te wassen. Om daarna als rillende verslaafden die hun eerste shotje nemen aan de gewichten te gaan hangen, te roeien op roeimachines en te crossen op crosstrainers.

Onder de douche kon ik geen boe of bah meer zeggen. De man naast mij onder de douche wel. ‘Wat mooi hè, die terugkeer’, zei hij met glimmende ogen. ‘Wat een geweldige rentree…’ Ik dacht eerst even dat hij het over de sport in de sportschool had. Maar al gauw kreeg ik in de gaten dat hij sprak over de terugkeer der terugkeren, de rentrees aller rentrees. De terugkeer van Arjen Robben. Ik dacht even een traantje in zijn ooghoek te bespeuren maar het kan ook douchewater geweest zijn.

Op de terugweg naar huis dacht ik er nog steeds aan. Aan de terugkeer. Er is niemand die het er niet over heeft. Waar je ook komt, wie je ook spreekt: de kapster in de kapsalon, het meisje van de bakker onder de toren, de buurvrouw in mijn moeders bejaardenflat of de bestuurder van de vuilniswagen die even stopte bij mijn huis voor een praatje.

‘Een geschenk uit de hemel’ voor ons geplaagde Groningers zoals een gewaardeerd krantencollega de Groningse spijker op zijn kop sloeg. Door de mijmering over Arjen Robben en het bord van de afslag Scheemda - Midwolda gaan mijn gedachten, naar een oude anekdote over de voetballer, gaan mijn gedachten naar een grote blonde man uit Midwolda.

Pele noemen ze hem in het dorp. De blonde Pele liep jaren geleden op een zondagmiddag met zijn kleindochter aan de arm door het dorp toen er een dikke Audi stopte. Het bleek niemand minder te zijn dan Arjen Robben. Die vroeg aan de oude Pele: ‘Hoe kom ik bij MOVV?’ Robben wilde kijken bij zijn zwager die aan de Niesoordlaan met Bedum speelde tegen de plaatselijke Midwolda Oostwold Voetbal Vereniging.

Pele kon in eerste instantie geen woord uitbrengen van verbazing en daarom vroeg Robben nogmaals ‘Hoe kom ik bij MOVV?’ De oude man herpakte zich en gaf toen het legendarische antwoord: ‘Trainen Robben....Heul...veul trainen…’

Voor zijn comeback bij de FC werkte de wereldster in München als een bezetene om topfit bij zijn oude liefde terug te kunnen keren. Arjen Robben heeft bij het hangen aan de gewichten, het roeien op de roeimachine en crossen op de crosstrainer vast nog even aan de oude man uit Midwolda gedacht. Met een glimlach op zijn mond.

‘Trainen Robben…. Heul... veul trainen….’

Meer over dit onderwerp:
column MIDWOLDA
Deel dit artikel:

Recent nieuws