Deze dag: de 'blauwe dood' bereikt Groningen

Op 1 augustus 1866 vallen de eerste slachtoffers van de gevreesde ziekte cholera in de stad Groningen. Een choleralijder kan meer dan een kwart van het lichaamsvocht verliezen. Hierdoor verloopt de doorbloeding niet goed meer, waardoor de huid blauw wordt; vandaar de bijnaam 'blauwe dood'. In korte tijd overlijden dat jaar meer dan duizend Stadjers aan de gevreesde ziekte.

Op de Nederlandse bevolking, destijds bijna 3,5 miljoen mensen, maakt de cholera-epidemie van 1866 21.000 slachtoffers. Tegenwoordig weten we in Groningen, dankzij de deskundigen van het UMCG, hoe we corona het best bij ons vandaan houden. Ook in de 19e eeuw kende de stad al medici met veel kennis van zaken die een epidemie zo goed mogelijk bestreden.

Evert Jan Thomassen à Thuessink en Gerbrand Bakker waren medici die er van overtuigd waren, dat vervuild drinkwater bij de cholera-uitbraken van 1826 en 1832 een belangrijke rol speelde. En zo is het eigenlijk ook, want de cholerabacterie zit in menselijke uitwerpselen, die zich met name via water verspreiden. Pas in 1883 werd dat met zekerheid vastgesteld.

Ook dokter Jacob Baart de la Faille wees op slechte leefomstandigheden als belangrijkste ziekteoorzaak. Al was cholera op zich geen besmettelijke ziekte. Dat kwam het stadsbestuur maar al te goed uit: isolatiemaatregelen waren in dat geval overbodig. Economisch was dat met name voor de stad van levensbelang.

Thomassen à Tuessink schreef daarop dat cholera wel degelijk van mens tot mens werd overgedragen, ondanks dat ‘men thans meer en meer ten voordele des koophandels het publiek zoekt te overtuigen, dat dezelve niet besmettelijk is.’

De epidemie die op deze dag in 1866 de stad bereikt, is de ergste die Groningen ooit heeft getroffen. Alle overledenen zijn bijgehouden. Uit die gegevens blijkt dat de toenmalige elite de dans grotendeels ontsprong: alleen een arts, een dominee en een apotheker stierven aan de cholera. Juist dit trio kwam veelvuldig in contact met patiënten.

De ambachtslieden en arbeiders uit die tijd werden vooral het slachtoffer: 86 procent van de overledenen kwam uit die groepen. Toch was cholera geen typische armeluisziekte. Er waren nu eenmaal veel mensen die tot die klassen van de maatschappij behoorden. Wel had de elite, goed gevoed en meestal apart wonend met een eigen waterpomp, de beste papieren de cholerabacterie te ontwijken en de ziekte te overleven.

In tegenstelling tot de coronapandemie van nu, valt op dat jonge kinderen ziek worden: met name in de categorie tot tien jaar oud bevinden zich veel slachtoffers. Deze dag, 1 augustus 1866, is het begin van de laatste grote uitbraak van cholera in Groningen.

Dankzij uitgebreide hygiënemaatregelen, die leidden tot de komst van waterleidingen en riolering, kon cholera tenslotte worden uitgebannen. De mannen die zich daar sterk voor maakten, verdienen hun straatnaam dubbel en dwars: Evert Jan Thomassen à Thuessink, Gerbrand Bakker en Jacob Baart de la Faille.

Meer over dit onderwerp:
dezedag
Deel dit artikel:

Recent nieuws