Column: De geur van brandend borsthaar

Ik veeg de wasem van de spiegel in de badkamer. ‘Hmmm..’ denk ik. ‘Dat kirreltje het der ook wel es beter oetzain.’ De avond ervoor heeft overduidelijk zijn tol geëist. Rooie opgezette ogen en bleke wangen. Ik heb er eentje op Johnny gedronken.

Dat eentje is spreekwoordelijk want ik bezig het motto ‘op ain bain kinnen je nait lopen’ en dat moet ik nu dus bekopen met een hamer in mijn drankhoofd. Johnny was een mooi mens. Was, want hij is vorige week plotseling en veel te vroeg overleden.

Johnny was een man die eerst aan anderen dacht en dan aan zichzelf. Hij stond ook altijd klaar voor anderen. Klaar voor zijn vrouw en drie zoons, klaar voor zijn cluppie met de dierbare kleuren, klaar voor zijn kleinkinderen, klaar voor zijn trouwe hond, klaar voor wie dan ook. En dat zijn hele leven.

Johnny was ook een gezelligheidsdier. Een man ook van het uitgaansleven. Een biertje en dansen. Dansen was zijn passie. En dan altijd de laatste man zien. Hij had mijn vader kunnen zijn. Mooie anekdote is dat een van zijn zoons zo rond sluitingstijd in de disco met nachtkoorts stond te kletsen met zijn net veroverde vriendinnetje.

Het vriendinnetje wees plotseling naar de dansvloer en zei: ‘Moet je kijken. Daar staat nog een ouwe man in z’n eentje te dansen’. De zoon van Johnny keek ook en gaf het legendarische antwoord: ‘Ja, dat is je schoonvader’. Johnny was niet van de dansvloer weg te slaan. Mooie kerel.

Dat doet me weer denken aan een andere mooie kerel uit het nachtleven. Een man met borsthaar. En niet zo’n beetje ook. Het zat niet alleen op zijn borst. Het zat bijna overal. De man in kwestie was er ook best trots op. Want als de drank in de man kwam en de geest wat losser, trok hij zijn shirt of trui uit en toonde aan de rest van de kroeg zijn behaarde mannelijkheid.

Bij tonen bleef het niet. Om nog meer indruk te maken op het vrouwelijk deel van het café stak hij zijn borsthaar in brand. En dat wou best fikken. Maar nooit ging het zover dat het vuur ook de huid bereikte. De borsthaarman keek erbij als de beroemde goochelaar Harry Houdini die zich zojuist op miraculeuze wijze had ontdaan van zijn ketenen.

De borsthaartruc herhaalde zich wekelijks. Het gekke was dat vrouwen er flink gecharmeerd van waren want aan het eind van de avond ging de borsthaarman altijd met het mooiste meisje naar huis. Maar van de kroegbaas moest hij ermee ophouden omdat de andere gasten klaagden over de stank.

Ik denk niet dat u wekelijks de geur van brandend borsthaar ruikt. Maar ik kan u zeggen; die is niet te harden. Misschien is het u wel eens overkomen dat bij het aansteken van een sigaret de vlam van de aansteker iets te hoog stond. De wenkbrauwen of een deel van de pony werd dan even flink geschroeid. Nou, die geur, maar dan tien keer erger is de geur van brandend borsthaar.

Dat van dat gewone haar in de fik vliegen doet me weer denken aan een andere stamgast van het stamcafé. Die lustte er ook wel eentje, ook spreekwoordelijk dan, want hij ‘spijde der nait in’. Deze stamgast genoot met volle teugen van het leven. Lachend ging hij de wereld rond. En als hij lachte, bewoog zijn hele lijf van voor naar achter.

De man was ook gezegend met een een enorme haardos. In die tijd was de mat in de nek nog in. Bij hem was het meer een kamerbreed tapijt, zoveel haar. Op een meer dan gezellige avond zat de haarmatman omgekeerd op zijn kruk met de rug naar de bar anekdotes uit te wisselen met zijn drankvrienden.

Een van hen vertelde het verhaal van Johannes, die na een avond flink doorhalen de volgende morgen weer in het café kwam. Zich meteen een Beerenburg bestelde. Maar bij het heffen van het glas tegen Geert de barkeeper zei: ‘Mag ik wel n nije Geert. Dit glas trilt’.

De haarmatman moest heel hard lachen om het verhaal en zijn lijf vloog heen en weer op de barkruk. Maar wat de haarmatman even vergeten was, was dat achter hem op de bar een brandende kaars stond. Dus toen hij bulderend van het lachen achterover helde, raakte zijn enorme haarmat de vlam van de kaars en stond zijn haar meteen in lichterlaaie. De man naast hem en de man daar weer naast zagen het gebeuren.

Die probeerden het vuur te doven door hard op het hoofd van de haarmatman te slaan. Maar die had niet in de gaten dat zijn eigen haar in brand stond. Die dacht dat de twee mannen hem af wilden rossen. Hij bedacht zich niet en begon keihard terug te meppen.

Barman Geert doofde de twee hete vuren met een Amsterdammertje vol water. Daarna kon er heel hard om worden gelachen.

Voor de spiegel moet ik ook lachen om mezelf. Ik zie namelijk een borsthaar. Ja, u hoort het goed. Ik heb een borsthaar. Die had ik nooit. Mijn borst is zo kaal als die van naaktkat. Ik was vroeger best wel jaloers op mannen met borsthaar. Ook op de borsthaarman, want die nam immers de mooie meisjes mee naar huis.

En nu zie ik op een katerochtend voor de spiegel op mijn 53e zo maar een borsthaar. Hij zit aan de rechterkant net onder het sleutelbeen. Ik kijk nog eens goed. De haar is flink lang en spierwit. Ik speur verder op mijn borst, maar daar groeit helemaal niks. Behalve een rood pukkeltje.

Ik krijg ineens een lumineus idee. Ik loop naar de keuken, doorzoek het rommellaatje en vindt hem: De aansteker.

Erik Hulsegge

De komende vier weken ben ik mijn verhalenaccu aan het opladen.

Op deze plek vertelt dan Jelger Staal, een van de zoons van Ede, zijn verhaal.

Meer over dit onderwerp:
columns opinie
Deel dit artikel:

Recent nieuws