Door de mand: Kees Vlietstra heeft een voorliefde voor types als Martin Drent

Felix staat achter zijn bar. Ik zit op een kruk aan de andere kant. Een groot plexiglas scherm tussen ons in. Coronamaatregel.

Het is toch een beetje alsof je op bezoek komt bij je geliefde in de gevangenis en door een telefoonverbinding praat. Hand op hand. Scherm ertussen.

Het terras zit vol. Binnen in het café is het nog rustig. Ik wacht op vrienden. We zijn er zo, appt Jillis. Zo blijkt een rekbaar begrip. Is niet erg. Achter in de kroeg staat de tv aan. BBC met live verslag van het WK snooker in het Crucible Theater in Sheffield. Prachtige sport. Prachtig podium. Felix is groot fan van Ronnie O'Sullivan. De vijfvoudig wereldkampioen had in de aanloop naar dit WK hard uitgehaald naar de organisatie die in al z'n wijsheid had besloten om 200 man publiek toe te laten bij de wedstrijden. Als pilot.

'Ze gebruiken dit evenement alsof we laboratoriumratten zijn.'

Felix vertelt vol vuur over zijn Ronnie. Geniale gek. Ongelofelijke anekdotes. Een held. Een cult held. Maar ook dat als hij wat meer voor zijn sport had geleefd hij al wel 15 keer wereldkampioen was geweest. Tsja, als...

Felix verlaat de bar om in de keuken een kaasplankje te maken. Ik volg de partij tussen Bingham en Carty. Mijn gedachten dwalen af. Andere tijd, zelfde bar, zelfde hoofdrolspelers.

Hé Felix, vieze stinktukker, geef ze allemaal wat van mij te drinken. Neem zelf ook wat en doe mij maar een fluitje.

Felix kijkt me schaapachtig aan terwijl alle mannen aan de bar me vriendelijke toeknikken. Het is een vrijdagavond in maart 2000. Na afloop van de laatste training voor de Ahoy-finale tussen Nic. en Die Haghe ben ik samen met hoofdtrainer Hans van de Kaa vanaf sporthal De Wijert naar onze stamkroeg De Singelier gefietst.

Normaal blijft iedereen nog even lekker gezellig zitten bij Winus en Sandra in de kantine van sporthal De Wijert, maar niet vanavond. Morgen finale om het Kampioenschap Van Nederland dus vroeg naar bed, lijkt iedereen te denken. Ik slaap sinds een dik jaar alleen, want weer vrijgezel, net 30 jaar en op zijn Gronings gezegd: roppig in de kop. Recalcitrant. Dus naar De Singelier. Hans ging mee. Lag op de weg naar zijn huis in de Oosterpoort.

Na twee fluitjes stapte mijn coach op. Tot morgen, zei hij. Meer niet. Toen Hans zwierig op zijn fiets stapte, en bijna bleef haken aan het kinderzitje, riep ik Felix.

Hou wordt Tukker? Geef ze allemaal nog maar wat van mij. En jij krijgt niks. En ik een fluitje.

Felix liep achter de bar vandaan en kwam achter me staan.

'Jij krijgt helemaal geen fluitje. Je kan een seven-uppie krijgen en dan ga je heel snel naar huis, stoer ventje. Morgen speel je de belangrijkste wedstrijd van je leven. En ik zit morgen in supportersbus vijf en ik wil dit jaar wél die titel.'

Tergend langzaam zet hij een flesje seven-up naast het half volle fluitje. In twee slokken gooi ik het in de hals, leg een geeltje op de bar en mompel: Tot morgen.

De volgende dag verliezen we na verlenging met 23-18. Had ik maar. Tsja, als. Blijft singelier.

Toch mooie tijd. Terug naar de onze(kere). Felix heeft zijn ronde op het terras gelopen. We praten verder over onze gezamenlijke sporthelden. Ronnie O'Sullivan, Theo Janssen en Martin Drent.

Het wordt drukker in het café. Felix heeft geen tijd meer om te praten. Hij moet echt aan het werk. Tappen, bedienen, kaasplankjes maken.

Ik kijk op mijn mobiel. Geen berichtje van mijn vrienden. Zullen wel onderweg zijn. Lees op de Voetbal International app een interview met Martin Drent. De oud-spits van FC Groningen wordt geportretteerd in een serie over culthelden.

Drent rookte, dronk, was eigenwijs, brutaal en ondeugend. Maar altijd eerlijk en met de lach aan zijn kont verzaakte hij nooit.

Ik heb een voorliefde voor types als Martin Drent. Markante persoonlijkheden met een randje. Denk aan Dennis Rodman, Erik Hulzebosch, Pieter van Altena, Freddy de Grooth, Inge de Bruin, Olof van der Meulen, George Best, André Simons, Henk de Haan, Harry Zwiers, Ronnie O'Sullivan. Stuk voor stuk allemaal winnaars en zo gek als een deur binnen, maar vooral buiten de sportarena. Bovenal zijn het cultfiguren. En ik hou van cultfiguren. Geen peper en zout sporters maar alles of niets. Carpe diem.

In een flits denk ik aan een mijn eerste en enige ontmoeting met dé Martin Drent. Moet in de tijd zijn geweest dat hij bij Veendam speelde. In nachtcafé Warhol raakten we aan de praat. We hadden allebei al een slokkie op. Ik herinnerde hem aan een interview wat hij ooit gaf aan een regionale omroep, OOG of Noord, daar wil ik af zijn. Boos op zijn medespelers na een onnodige nederlaag kwam Drent voor de camera. Ik sta gewoon met elf kutjes in het veld.

Vanaf dat moment kregen de spelers van Veendam mediatraining. Doodzonde.

Ik lees verder. Drent raakt op stoom. Ik vind Heerenveen en Twente geen kutclubs, maar ik hoop wel elk jaar dat ze degraderen. Toen Twente na al die fraude degradeerde, man, dat was een feestdag. Ik weet het, dit is hooligan-gedrag, is niet altijd goed, maar ik meen het wel.

Dapper van Martin. In een van mijn laatste columns vertelde ik dat Twente voor mij ook elk jaar mag degraderen. Kreeg toen veel haatmails uit Tukkerland. De eerste was van Felix.

Maar goed. Drent is trots dat hij door de supporters van de FC is gekozen tot cultheld aller tijden. (Zilver Milko Djurovski, brons Harris Huizingh)

Tegen mensen die hem zeggen dat hij door zijn levensstijl niet het maximale uit zijn carrière heeft gehaald, zegt Drent:

'Maar wel uit mijn leven.'

Lees die laatste zin nog een keer. En nog een keer. Mooi, krijg het daar warm van. Denk aan het turbulente leven van Ronnie O'Sullivan en aan mijn eigen sportgeschiedenis. Op het moment dat Felix een vers getapt biertje onder het plexiglas scherm door, voor me op de bar zet, komen mijn vrienden onder een hoop lawaai de kroeg in. Het leven is mooi.

Meer over dit onderwerp:
columns opinie
Deel dit artikel:

Recent nieuws