Column: Bedankt hè, pap

Stilletjes schuifelen mijn klasgenoten en ik de klas binnen. Een nieuwe leraar Nederlands meldt zich aan het front. Hij, eind vijftig, straalt uit dat er weinig ruimte is voor een lolletje. Deze eerste indruk blijkt nog maar het begin van de ellende.

Het is eind jaren negentig. Ik doe net genoeg op school om zesjes te halen en heb het goed naar mijn zin op de havo. In de derde klas prijkt er een nieuwe naam op het lesrooster. De grote onbekende geeft ons op maandagochtend de eerste twee uur Nederlands.

Zijn lessen zijn weinig sprankelend, maar het vakmanschap straalt ervan af. Hij zet meteen de toon door de les en daarmee de schoolweek te beginnen met een mondelinge overhoring. Iedere maandagochtend is één leerling de klos. Ik gok het erop en kom de eerste weken matig beslagen ten ijs. Een goede gok, want de overhoring gaat wekenlang mijn deurtje voorbij.

Toch heb ik het gevoel dat er iets broeit tussen de leraar en mij. Hoezeer ik het ook probeer te negeren, het gevoel dat zijn indringende blik mij overal volgt, blijft continu. Alsof hij zoekt naar dé herkenning die ver weg in zijn hoofd zit.

We zijn vier weken onderweg als hij maandag in alle vroegte het woord tot mij richt. Zijn eerste vraag heeft echter niets te maken met het vak Nederlands. ‘Ben jij de zoon van Geert?’, vraagt hij. Ik bevestig op enthousiaste toon, trots als ik ben. Zijn gezichtsuitdrukking doet vermoeden dat het enthousiasme niet wederzijds is. In de vijf minuten die volgen, onderwerpt hij mij aan een overhoring, zoals de geschiedenis die niet eerder heeft gekend. Als ik het cijfer nul had kunnen krijgen, had hij die ochtend een -1 achter mijn naam genoteerd.

Eenmaal thuis haalt mijn vader in eerste instantie de schouders op bij het noemen van de naam van de leraar. ‘O, hij! Ik weet het al’, klinkt het alsnog na een tweede overdenking. ‘Daar heb ik vroeger vaak tegen gevoetbald.’

Ik verstom en alle verhalen die ik hoorde over mijn vader als voetballer schieten razendsnel van links naar rechts door mijn hoofd. Waar mijn opa (erelid) en oom (speler) de liefde verklaarden aan hun cluppie Oosterparkers, koos mijn vader ervoor om in het tweede elftal bij rivaal GVAV-Rapiditas te gaan spelen. Het liefst na een avond stappen en met afgezakte kousen. Met het mes tussen de tanden.

Mijn gedachten maken weer plaats voor het hier en nu. Ik hoor mijn vader nog net een niet al te positieve beschrijving geven van mijn leraar Nederlands. Gevolgd door een anekdote over die ene wedstrijd dat hij hem flink te grazen had genomen. Blijkbaar met een tijdje mank langs de kant toekijken als gevolg.

De maandag erop begint met een mondelinge overhoring. Ik ben de sjaak. Net als de week erop. En de week daarop. Ik gooi de uit mijn duim gezogen hartelijke groeten van mijn vader nog in de strijd, maar dit werkt gek genoeg averechts. Hij neemt niet eens meer de moeite om vijf vragen te stellen. Bij twee is het al klaar. Een met rode pen geschreven onvoldoende verdwijnt in het systeem. De zoveelste. Bedankt hè, pap.

Meer over dit onderwerp:
columns opinie
Deel dit artikel:

Recent nieuws