Pistolen in slipjes en een gevaarlijke wapendropping: de verzetsfamilie Boltjes

Legitimatiebewijs van verzetsheld Jo Boltjes als soldaat bij de geallieerden
Legitimatiebewijs van verzetsheld Jo Boltjes als soldaat bij de geallieerden © Hans van der Nap
Stenguns in de dubbele bodem van een kinderwagen. Betrokkenheid bij een geheime wapendropping nabij de Gronings-Friese grens en een rol bij de overval op het Huis van Bewaring in Leeuwarden. Allemaal het werk van de onbekende Groninger verzetsfamilie Boltjes.
Het is moeilijk te achterhalen wanneer Jo Boltjes exact besloot zich aan te sluiten bij het verzet. Maar een voorval op die ene dag aan het begin van de oorlog zou goed de bekende druppel kunnen zijn.

‘Vuile rotmof!’

Jo gaat samen met zijn vader Gerrit en oom Derk vissen bij een brede sloot in Visvliet. Op een spoorlijn die pal langs hun visplek lag, kwamen tijdens die dag regelmatig goederentreinen langs. Die volgeladen treinen richting het oosten leidden tot de nodige gespreksstof tussen de drie Boltjes. Ongetwijfeld spraken ze over hoe onrechtvaardig het wel niet was dat al dat roofgoed naar Duitsland gebracht werd. Toen er vervolgens bij een volgende trein een Duitse soldaat op wacht stond, riep één van de mannen, onbekend wie van de drie: ‘Vuile rotmof!’
De Duitse soldaat aarzelde geen moment, nam het geweer van zijn schouder en wees met de loop in hun richting. Bangmakerij, dachten de Boltjes aanvankelijk, maar tot hun stomme verbazing opende de Wehrmachtsoldaat het vuur. Oom Derk riep snel: ‘Bukken’, zo wil de overlevering, en de drie konden nog net op tijd wegduiken. De soldaat had ze misschien alleen schrik willen aanjagen, maar hij had er vooral voor gezorgd dat vader en zoon zich definitief zouden aansluiten bij het verzet.

Kazerne in Assen

Het verzet zat bij de familie Boltjes in het bloed, zo bleek later. Een aantal andere familieleden had onderduikers in huis en verrichtte hand- en spandiensten die gericht waren tegen de Duitse bezetter. Toch zal de naam Boltjes niet direct bij iedereen een belletje doen rinkelen. Dat terwijl deze familie een belangrijke rol speelde tijdens het verzet in de Tweede Wereldoorlog in Groningen.
De Boltjes vestigden zich in 1900 in Stad, kort na het huwelijk tussen Gerrit Boltjes met Geessien Jager uit Winschoten. In 1917, aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, werd Johannes (Jo) geboren, vernoemd naar zijn grootvader. Ze woonden toen al op de Prinsesseweg 55b in Stad.
Het huizenblok aan de Prinsesseweg in 1928, waaronder ook nummer 55b
Het huizenblok aan de Prinsesseweg in 1928, waaronder ook nummer 55b © P.B. Kramer, Groninger Archieven
Jo koos voor een opleiding als militair op onder meer de kazerne in Assen. Zijn eerste belangrijke schuilnaam was Johannes van der Meer, gevestigd aan de Grote Kruisstraat 9a te Groningen.

Anna Catherina

Vader Gerrit werkte op de afdeling douanewerkzaamheden op het Hoofdstation van de NS. De familie kon daarom gratis met de trein reizen en vader en zoon maakten daar geregeld dankbaar gebruik van. De verzetsdaden van Jo namen een vlucht nadat hij verkering kreeg met Anna Catharina Franke.
In het bovenhuis van de familie Franke, aan de Singelweg 70 in Stad, kwamen verzetslieden namelijk regelmatig bijeen. Een belangrijke taak van de deze groep was – naast het dwarsbomen van de vijand daar waar mogelijk – het bemachtigen van voedselbonnen. Die moesten vervolgens terechtkomen op de onderduikadressen.

Doorgeladen pistool in slip

Andere hoofdtaak van deze groep was het verzamelen en onder verzetslieden distribueren van wapens, een levensgevaarlijke taak. Anna had hier een speciale manier voor gevonden. Ze bond een kussen onder haar jurk waardoor ze zwanger leek. Want hoewel de Duitsers niet uitblonken in hoffelijkheid, hadden ze wel een heilig ontzag voor zwangere vrouwen, mits in hun ogen enigszins Arisch qua uiterlijk natuurlijk.
Het pistool droeg ze dan in haar slip. Dat ging altijd goed, al had het één keer niet veel gescheeld. Toen kwam Anna er na aflevering achter dat het pistool al die tijd doorgeladen was.
Na de oorlog liet de onderbuurvrouw aan de Singelweg weten dat ze wel degelijk doorhad wat er boven haar gebeurde. ‘Ik hoorde regelmatig het doorladen van wapens. Die harde klikgeluiden gingen dwars door de vloer heen.’ De onderbuurvrouw hield haar mond, en de verzetsgroep kon doorgaan met het werk.

Drie identiteiten

Ook dokter J.F. Bracht Waker, Oranjesingel 19, stad-Groningen, speelde een belangrijke rol bij diverse verzetsgroepen in Groningen. Zijn receptenbriefje zorgde er niet alleen voor dat Jo een officieel briefje had om niet in Duitsland te hoeven werken, maar hielp ‘m ook bij zijn eerste schuilnaam: Johannes van der Meer.
De bovenkant van het artsenbriefje
De bovenkant van het artsenbriefje © Copyright Hans van der Nap
Voor een ander plan had hij weer een ander vals persoonsbewijs nodig, dat werd Johannes Meindersma, woonachtig in de Kleine Appelstraat 3a te Groningen. Hij koos waarschijnlijk telkens voor de naam Johannes om zelf niet in verwarring te worden gebracht. Die tweede naam – Meindersma - had Jo nodig bij de overval op het Huis van Bewaring van Leeuwarden, misschien wel de spectaculairste en tegelijkertijd koelbloedigste gevangenisontsnapping uit de Nederlandse geschiedenis.
Bij de overval werden 51 verzetsmensen uit hun cel bevrijd zonder dat er een enkel schot gelost werd. Behalve Jo Boltjes waren ook bekendere namen uit het verzet als Piet Oberman (verzetsnaam Piet Kramer), Willem Stegenga en Egbert Bultsma betrokken bij de beraming van het plan.
Kleine Appelstraat 3a, waar Jo op zolder een wapenopslag had
Kleine Appelstraat 3a, waar Jo op zolder een wapenopslag had © Benno de Jongh/RTV Noord
Kleine Appelstraat 3a was geen vals adres, want Jo had daar een zolderkamer, inclusief wapenopslag. Hij was intussen aan de slag als ambtenaar bij de voedselvoorziening. Samen met zijn valse papieren met de naam Johannes Meindersma gaf hem dit veel bewegingsvrijheid en was het de ideale dekmantel voor het voorbereiden van verzetsdaden.

‘Was machen Sie hier?’

Hoewel de oorlog voor sommige mensen een lange, saaie periode was waarin weinig gebeurde, was dat allerminst het geval voor de familie Boltjes en dan met name voor Jo.
Op een dag werd Jo Boltjes aangehouden door een NSB’er. Het was geen best moment. Hij had weliswaar geen wapens op zak, maar wel alle drie zijn identiteitspapieren – twee valse en zijn echte – in dezelfde binnenzak. Op goed geluk trok hij een van de drie legitimatiebewijzen en gaf ‘m zonder te kijken met een stalen gezicht aan de NSB’er. Die keek er lang en streng naar, waarna hij het teruggaf. Boltjes kwam met de schrik vrij, hij had het goede getrokken.
Een vals persoonsbewijs van J. Meindersma, alias Johannes van der Meer, alias Jo Boltjes
Een vals persoonsbewijs van J. Meindersma, alias Johannes van der Meer, alias Jo Boltjes © Hans van der Nap
Ergens in de laatste jaren van de oorlog ging Jo langs bij de schoenmaker op de hoek van de Grote Markt en de Zwanenstraat om een en ander te bespreken. Twee Duitse soldaten wachten hem op: ‘Was machen Sie hier?’
‘Ik kom mijn schoenen halen, meneer,’ zei Boltjes, zo kalm mogelijk. De Duitsers controleerden zijn papieren, de echte, en namen hem mee naar de kelder en lieten hem ‘zijn’ schoenen uitzoeken. Met een vreemd paar schoenen in de hand verliet Boltjes het pand. Hij had geluk, de Duitsers lieten hem de schoenen niet passen.

Stenguns

Jo was nog steeds samen met Anna Catharina Franke. Toen ze zwanger werd trouwden ze in mei 1944. In het diepste geheim, in Leek. Jo vertrouwde de ambtenaren in de gemeente Groningen namelijk niet, daar zou weleens een collaborateur onder kunnen zitten.
Duitse soldaten op de Grote Markt (met rechtsachter een vrouw met kinderwagen, waarschijnlijk niet Anna Catharina)
Duitse soldaten op de Grote Markt (met rechtsachter een vrouw met kinderwagen, waarschijnlijk niet Anna Catharina) © Fotograaf onbekend, Groninger Archieven
Tijdens haar zwangerschap vervoerde Anna gewoon weer pistolen in haar slip. Nu zonder dat het kussen onder haar buik nodig was, want de geboorte van dochter Gerda bood nieuwe mogelijkheden. In haar kinderwagen maakte ze een dubbele bodem waar ze stenguns, voedselbonnen, geweren en munitie mee vervoerde. Zo liep ze geregeld langs Duitse soldaten in Stad, maar aangehouden werd ze nooit.

Diverse adressen

Het einde van de oorlog naderde en Jo Boltjes, zijn vrouw Anna Catharina Franke en andere leden van de familie waren nog steeds niet door de Duitsers ontmaskerd als leden van het verzet. Dat was niet alleen een kwestie van geluk, de Boltjes gingen ook uiterst voorzichtig te werk, voor zover mogelijk is bij uiterst gevaarlijke verzetsdaden.
Zo wisselde Jo geregeld van adres. Ook was hij vaak bij z’n ouders aan de Prinsesseweg 55 b. Hij verbleef dan op de bovenverdieping, in het tussenstuk, zodat over- en achterburen hem niet konden zien. Alles om maar geen aandacht te trekken.

Wapendropping

De verzetsgroep van Boltjes en Franke wilde meer wapens en munitie en vroeg dat aan de geallieerden. Na een voorbereiding van maanden zou een wapendropping plaatsvinden. Met medewerking van een boer konden de wapens en munitie gedropt worden net over de grens van Friesland, in de buurt van Bakkeveen.
Een lastige klus. Een stille, heldere nacht heeft als voordeel dat het droppen van het spul makkelijker is. Nadeel is dat de kans dat je gesnapt wordt groter is. Het vliegtuig was op kilometers afstand te horen. De Duitsers trokken richting het weiland waar de spullen gedropt waren en onderschepten het wapentuig. De leden van de verzetsgroep konden ontkomen, maar de Duitsers fusilleerden wel de boer.

Onderduiken

Jo’s ouders en hijzelf besloten onder te duiken op verschillende plekken in Friesland. In het huis aan de Prinsesseweg werden Duitse soldaten ingekwartierd. Dat onderduiken bleek een verstandige zet, want de laatste stuiptrekkingen van de Duitsers bestond uit het oppakken en fusilleren van zoveel mogelijk verzetsstrijders.
Toen de Canadezen Groningen binnenkwamen sloot Jo zich bij hen aan om mee te vechten tegen de Duitsers. Van 13 tot en met 18 april 1945 werd er gestreden tussen Duitse Wehrmachtsoldaten aangevuld met Nederlandse en Belgische SS’ers aan de ene kant en de tweede Canadese infanteriedivisie aangevuld met de Binnenlandse Strijdkrachten aan de andere kant. De slag om Groningen is een van de hevigste stadsgevechten van de bevrijding in Nederland, dit jaar 75 jaar geleden. Ook deze zes dagen overleefde de toen 28-jarige Stadjer.

Indonesië

Na de oorlog had Jo minder geluk. Als militair werd hij uitgezonden naar Indonesië. Hij was daar reservekapitein van het 1ste regiment Infanterie, onderdeel van het 3de bataljon. In 1948 vlak bij Indramajoe op West-Java. Zijn patrouille van ongeveer vijftig man dreigde te worden omsingeld, maar dankzij zijn strategische inzichten konden ze ontsnappen. Jo Boltjes moest deze actie echter zelf wel met z’n leven bekopen. Hij is slechts 31 jaar geworden.
Voor zijn moedige optreden in Indonesië werd hij een aantal keren onderscheiden. Postuum kreeg hij de Bronzen Leeuw, een hoge koninklijke dapperheidsonderscheiding. Jo Boltjes ligt begraven op het Nederlandse ereveld Menteng Pulo in Jakarta.
Deze geschiedenis verscheen eerder in een iets andere vorm in het boek ‘Dammen als Cultureel Erfgoed. Een Kleurrijk beeld van damspelers in Groningen en Drenthe uit heden en verleden’. Daarin geeft auteur Hans van der Nap een uitgebreid portret van Jo Boltjes en andere noordelijke dammers, waaronder ook verzetshelden. Deze particuliere uitgave is nog verkrijgbaar: hvdnap@home.nl