Column: Waar is de pandemie gebleven?

Ik snap er helemaal niks meer van. En voor iemand die van controle houdt is dat geen prettig gevoel.

Ik ben nog altijd in de veronderstelling dat we in een pandemie zitten. Maar als ik in de winkel kom, wijst bar weinig daar nog op.

Terug van vakantie ga ik boodschappen doen bij mijn vaste supermarkt. Tot mijn verbazing lijkt alles hier weer normaal; het oude normaal wel te verstaan. De medewerker die buiten de karretjes desinfecteerde en toezag op de hoeveelheid mensen binnen, is nergens meer te bekennen. Ik pak zelf een - nog wel verplicht- karretje en doe mijn boodschappen. Als ik klaar ben loop ik gedachteloos terug naar de auto. O wacht, denk ik te laat, hier mocht ik helemaal niet langs. Maar ik blijk niks verkeerd te doen; de ingang is ook weer uitgang.

Als ik een paar dagen later de binnenstad in loop, blijk ik niet de enige. Tussen de mensen door laverend bereik ik de kledingwinkel waar ik naartoe wil. Weinig winkels waren dit voorjaar zo strikt als deze Spaanse modeketen: een beveiliger voor de deur, verplicht handen desinfecteren en vooral: een stevige inperking van het aantal bezoekers. Winkelen was er nog nooit zo fijn.

Hoe anders is dat nu. Ik was vergeten hoe vol zo'n winkel was in het oude normaal; een tijdperk waarnaar we blijkbaar zijn teruggekeerd. Hordes jongeren, studenten en gezinnen zijn er uitgelaten aan het shoppen. Het levert een wonderlijk contrast op. Terwijl zij zich verdringen voor de rekken en de kassa's, staan de medewerkers met mondkapjes op achter metershoge spatschermen. Het is alweer een paar weken zo, vertelt de caissière. Zonder het uit te spreken, denken we er samen het onze van.

Na mijn zaterdagdienst rijd ik nog een keer langs de supermarkt; in de hoop er niet alleen melk en keukenrollen te vinden, maar ook antwoorden. Op de parkeerplaats had ik al beter moeten weten. Sinds de invoering van betaald parkeren, ver voor de corona-uitbraak, heb ik het er niet zo druk gezien. Bij de karretjes worstelen de terugbrengers zich tussen de ophalers, en andersom.

Ook binnen is het chaos. Wachten tot iemand zijn keuze tussen tonijn- en selleriesalade heeft gemaakt, blijkt zinloos; drie anderen schieten langs me heen om in hun respectievelijke saladebehoeftes te voorzien. De kassamedewerker lijkt blij dat ik er over begin. Weken is het al zo, verzucht ze. Ergens in de vakantie is alles teruggedraaid. Zij vindt het ook niks, maar ja, ze gaat er niet over.

Ik loop met mijn kar richting uitgang. In het tochtportaal staat een man met zijn scootmobiel stil. De tegenliggers passeren hem eerst en ik wacht maar weer even. Achter mij vraagt een vrouw of ik nog van plan ben door te lopen. Ik kan het niet laten en roep boos iets over afstand houden. Niet slim; ik heb er vooral mezelf mee. Een mix van verontwaardiging, opwinding en schaamte speelt me nog parten als ik thuiskom.

Ik pak mijn hardloopschoenen voor een rondje in het park. Allesbehalve een coronaheilige ben ik zelf, dat weet ik ook wel. Gericht als ik ben op mijn einddoel slalom ik regelmatig tussen mensen door. Ik fiets altijd zo hard dat inhalen onvermijdelijk is. En doe dat maar eens op anderhalve meter. Daarbij ken ik weinig angst voor mijn eigen gezondheid. Ondanks alle verhalen over blijvende klachten en ernstig zieken; zo kwetsbaar voel ik me niet.

Maar is het niet juist daarom dat er regels zijn, vraag ik me af. Als zelfs ik - als verslaggever al maanden met niks anders dan corona bezig- onachtzaam kan zijn, hoe zit dat dan met de rest van ons? Ik weet het antwoord wel. De stress van het supermarktbezoekje zit nog in mijn lijf.

Rennen door het park helpt. Hier tref ik niet meer dan een handjevol wandelaars, een paar honden en wat fietsers. De grootste uitdaging zijn hier niet de mensen, maar de ganzen die ik op veilige afstand moet zien te passeren.

Als ik thuiskom blijk ik nog nooit zo hard te hebben gelopen. Is al dat gestress toch nog ergens goed voor.

Meer over dit onderwerp:
coronavirus zorg columns opinie
Deel dit artikel:

Recent nieuws