Column: Noppie de naaktslak

Ik was altijd een hondenmens. Als leutje rooie was mijn Drentse patrijshond mijn beste vriend, mijn alles. Van katten moest ik helemaal niets hebben. Onberekenbaar, een beetje eng ook, vond ik.

Zo werd ik een keer aangevallen door de kat van mijn speelvriendje. We zaten rustig op de bank naar de Film van Ome Willem te kijken, toen het beest plotseling aan kwam vliegen en zijn klauwen in mijn hoofd klauwde. Nooit zou ik meer iets hebben met katten, besloot ik.

Zeg nooit nooit. Want een kleine twintig jaar later had ik plotseling twee katten in huis. Een stiekem cadeautje van mijn toenmalige lief. Twee rooie broertjes. Teun en Tommie. Amper acht weken oud, klommen ze in mijn schoot en veroverden miauwend knuffelend mijn hart.

Teun was geen lang leven beschoren. Die werd gegrepen door een auto op de drukke weg achter ons huis. Mijn lief vond in het asiel een zusje voor de inmiddels dikke rooie je-weet-wel-kater Tommie. Ook zusje overleefde het oversteken van de drukke weg niet.

Mijn toenmalige lief wilde niet nog eens een gebroken kattenhart en besloot dat onze rooie kater niet meer de wijde wereld in mocht. Deze week spuwden wetenschappers dat er in ons land geen kat meer naar buiten mag, omdat ze met z’n allen 140 miljoen vogels per jaar om zeep helpen.

Mijn lief was die gedachte om andere reden al ver voor. Zij besloot dat er een hekwerk rond ons achtertuintje moest komen, zodat zelfs de best klauterende kat er niet in of uit kon. Mijn vader bouwde, terwijl de rooie je-weet-wel-kater voor het achterraam zat, bovenop de schutting en de rooie tussenmuur een metershoge afrastering. Onze tuin werd een soort Fort Knox voor katten.

Toen de afrastering klaar was, kwam het grote moment, Tommie mocht weer naar buiten. Alleen buiten in de tuin dan. Miauwend, kroelend en spinnend vloog hij het kattenluikje door. Onder toeziend oog van mijn vader, mijn lief en mezelf, speerde hij langs de hortensia en het sparretje naar de schutting.

Om vervolgens in een beweging, door zich plat te maken, onder de schutting door te kruipen. Had je het gezicht mijn lief moeten zien en daarna het gezicht van mijn vader.

De afrastering werd een paar weken later weer afgebroken. Wat we ook probeerden, de rooie je-weet-wel-kater wist altijd weer een uitweg te vinden.

Tommie bleef nog lang bij mij. Hij was mijn trouwe metgezel in voor- en tegenspoed. Hij volgde mij waar ik ook maar was, zelfs tot aan mijn stamcafé tegenover de kerk. Zonder dat ik het zelf in de gaten had, werd ik een kattenmens.

Na de dood van Tommie, hij ligt nu begraven in het achtertuintje, besloot ik nooit meer huisdieren te nemen. Deels uit verdriet, deels door de gedachte dat ik nooit een geweldige kat als Tommie terug zou krijgen.

Zeg nooit nooit, want enkele jaren later had ik weer een huisdier. Ik heb hem maar een keer gezien, maar toch. Het was voornamelijk een winterhuisdier. Want elke winter hoorde ik hem kwaken en springen. Een pad huisde in de koude wintermaanden onder mijn vloer.

Pieter, zo noemde ik de pad, kwaakte er vooral ‘s avonds rond een uur op tien, driftig op los, als een soort omgekeerde wekker. Pieter pad riep dat ik naar bed moest. Pieter pad was ook goed in springen. Als ik op de wc zat, hoorde ik hem vrolijk kwakend springen tussen het muurtje van de wc en de buitenmuur. Die boodschap heb ik nooit goed begrepen.

Hoe Pieter daar kwam en hoe hij overleefde? Geen idee. Eerst dacht ik nog hem te verdelgen, maar al gauw was ik er zo aan gewend dat ik de geluiden ging waarderen.

Jaar in jaar uit was Pieter, gescheiden door een parketvloer, mijn winterse kompaan. Tot dit voorjaar. Ik prikte net met een vork in de gekookte aardappels, toen ik achter mij in de keuken iets dacht te zien bewegen.

Ik hoorde een zachte kwaak en zag nog net een enorme pad door de openstaande keukendeur en bijkeukendeur als in slow motion de tuin in verdwijnen. Moi Pieter. Ik had niet eens tijd om te beseffen dat Pieter het wel had gehad bij mij, toen ik al weer een nieuw huisdier had: Noppie.

Noppie de naaktslak. Die zag ik ook nooit. Maar de sporen van Noppie wel. Elke nacht maakte Noppie een rondje over mijn stoffen stoel. Het spoor was precies te volgen. Van onderen naar de linker leuning dan naar de rug van de stoel en over de rug naar de rechter leuning en weer terug naar de vloer.

Het zilverachtige spoor was het enige wat ik zag, want Noppie zelf zag ik nooit. Ik heb er zelfs ‘s nachts mijn wakker voor gezet om hem zijn rondje te zien maken, maar dan was Noppie er nooit.

Zeg nooit nooit. Afgelopen vrijdag werd mijn vloer geïsoleerd. Twee isolatiemannen bliezen als in een ultrasnelle flessenpost een vrachtwagen vol isolatiekorrrels onder mijn vloer. Na het vertrek van de isolatiemannen, zoog ik de resten stof uit de woonkamer. Onder het voorraam naast de verwarming zag ik een enorme zwarte naaktslak ( ik schat zo’n acht centimeter lang) kruipen.

‘ Ha Noppie!’, riep ik hardop. Ik bedacht dat Noppie door mijn isolatiedrift zijn huis was kwijtgeraakt. Ik pakte hem voorzichtig op en nam hem glibberend in mijn hand mee naar buiten, naar de achtertuin. Daar zette ik hem op een mooi sappig blad van de hortensia.

‘Moi hor Noppie’, zei ik met weemoed in mijn stem. Weer moest ik afscheid nemen van een huisdier. Tegelijkertijd was er de blijdschap dat ik nu af was van het dagelijkse slakkenspoor op mijn stoel. Een uurtje later keek ik of Noppie nog op het hortensiablad zat, Hij was met de noorderzon vertrokken.

Gistermorgen sta ik in alle vroegte op om mijn verhaal te schrijven. Ik loop de woonkamer in, zet mijn computertje alvast aan en loop dan door om de gordijnen open te schuiven. Het zonlicht valt op de stoffen stoel. Ik zie iets schitteren in de zon.

Een zilverachtig slakkenspoor van onderaan de stoel over de linker leuning naar de rug van de stoel en weer terug over de rechter leuning, terug naar de vloer….

Erik Hulsegge

Meer over dit onderwerp:
columns opinie
Deel dit artikel:

Recent nieuws