Column: Geprepareerde knorkuikens in hotel Van der Werff

De man achter de toog in zwart oberpak schenkt in twee ouderwetse kopjes koffie uit een koffiekan. ‘Zegt u het maar hoor’, zegt hij met Friese tongval tegen een lange man met regenjas en laarzen. ‘Kunnen we hier vanavond ook eten?', vraagt de man.

De man achter de toog zet de kopjes op een dienblad, pakt het dienblad op zijn rechterhand en loopt om de toog voor de lange man langs. ‘Dat kan’, zegt hij tegen hem. ‘Met hoeveel personen?’ ‘Vier volwassenen en twee kinderen’.

‘Zes personen dus’, zegt de ober met een frons op zijn wenkbrauwen en serveert de kopjes koffie op het dichtstbijzijnde tafeltje voor de moeder en dochter met een boomerhond. Als hij weer terugloopt naar zijn plek achter de toog, zegt de wachtende lange man met een lachende stem: ‘Dat heeft u snel uitgerekend’.

Het is net elf uur geweest. Bijna alle tafeltjes in de gelagkamer van hotel Van der Werff zitten vol. Alleen de stamtafel is nog leeg. Op het bruine kleed over het biljart liggen vier beduimelde kranten. Ik sta met ‘mien laiverd’ in de coronarij die met geplakte lijnen op de vloer staat aangegeven. Voor ons in de rij staat een man met muts.

Als de lange man met laarzen zijn reservering heeft afgerond en langs de tafeltjes een weg naar buiten zoekt is de man voor ons aan de beurt. ‘Ik wou graag even wat drinken. Kan dat?’ en hij kijkt ondertussen de gelagkamer rond naar een leeg plekje. ‘Daar aan de grote tafel is nog plek.' De ober knikt naar de stamtafel.

Als de man aanstalten maakt om erheen te lopen, zegt de ober: ‘Je kan kiezen. Of aan de linkerkant, of aan de rechterkant van de tafel.' De man zoekt zich een plek aan de voor hem linkerkant van de stamtafel. Even later zitten wij bij hem, aan de rechterkant van de tafel.

De man bij ons aan tafel heeft een glas Beerenburg besteld. Hij slurpt met zijn gezicht voorover gebogen het eerste bruine slokje uit het meer dan gevulde glas, dat hij op tafel laat staan. ‘Moi’, zegt hij tegen ons als hij zich weer opricht. Altijd mooi om een Groninger te treffen op Schiermonnikoog, denk ik. De man, die zijn muts heeft afgezet, heeft een kort modieus kapsel met een gebruind gezicht, waarin blauwe pretogen staan. ‘Moi’, zeggen wij in koor terug.

‘Waiten ie toevallig wat geprepareerde knorkukens binnen?’, vraag ik om een gesprek te beginnen. De man kijkt mij verbaasd aan en ik zie nadenkende rimpels op zijn voorhoofd. Even denkt hij dat ik hem voor de gek hou.

Ik leg uit dat we in het hotel logeren. Dat we bij het bekijken van oude relikwieën aan de muur van het hotel de gekste dingen zijn tegengekomen. Van oude zeekaarten tot schilderij van een schoener op stille zee en van een longfoto ter herinnering aan de bevolkingsdoorlichting van het eiland uit 1948 tot een oud menu van 11 mei 1928.

Relikwieën aan de muur van het hotel (Foto: Erik Hulsegge/RTV Noord)

Op dat bijna 100 jaar oude menu staat als hoofdgerecht Geprepareerde Leidsche knorkuikens. Ik heb er nog nooit van gehoord. Vragen bij de ober met kaal hoofd en zwarte coronahandschoenen en internet brengt geen soelaas. Behalve dan dat een voormalige eilandgast uit Leiden zich op een website zich hetzelfde over die knorkuikens afvraagt.

‘Dat binnen zeker leutje zwienen’, zegt de man bij ons aan tafel die zich heeft voorgesteld als Harmen. ‘Aans zol’k t ook nait waiten’. Ook hier loopt het spoor dood. Harmen, die in de klimaathandel zit, komt na nog een paar slokjes van zijn Fries ‘klokje’ op de praatstoel.

‘Doun ie ook aan tikkies?’, vraagt ie ons. ‘Tikkies?’, zeg ik hardop, mezelf afvragend waar dit heen gaat. ‘As je even n reken dailen willen, din kin je mit de telefoon even n tikkie sturen. Din kin je lopies eem betoalen via de bank’ Harmen heeft het over de nieuwerwetse digitale betaalweg. ‘Dij kinnenve wel.’

Dan komt het verhaal van Harmen over een merkwaardig mysterieus en triest tikkie. Hij moest er even tussenuit en had gevraagd aan een goede bekende of hij zijn huis op Schier twee weken kon huren. Dat kon niet. Hij kon er wel voor niks in.

Harmen was een paar keer het eiland rondgefietst en via Berkenplas en Wassermanbunker in De Marlijn beland. In het paviljoen was een man bij hem aan tafel komen zitten, die hij vaag kende uit de business. Het vreemde was dat de man alles van Harmen wist. Waar hij woonde, van zijn klimaathandel, van zijn scheiding. Alles. Tot in de kleinste details.

Harmen snapte er niets van. Na drie Beerenburgs had de man hem uitgenodigd voor een diner ‘s avonds in hotel Van der Werff. Onder het genot van Sneekermeer paling en krokant gebakken buikspek, vertelde de man in de Teensma-eetzaal uit 1914 zijn hele levensverhaal.

Over zijn moeilijke jeugd, waarin hij opgroeide bij zijn grootouders, over verkeerde vrienden, waardoor hij aan de zelfkant van de maatschappij belandde, over de drank, over zijn eerherstel met een eigen schildersbedrijf, over zijn vrouw die vreemd ging en die hem bij de scheiding spreekwoordelijk had uitgekleed. ‘Wat n verhoal’, zei Harmen en wij dachten het.

Daarna hadden ze onder invloed van zeker drie flessen rode wijn en vier kallemooitjes anekdotes verteld en heel hard gelachen. De man had na afloop de gepeperde rekening betaald. ‘Stuur mie mor n tikkie', had Harmen gezegd. De man deed niet aan tikkies. Hij had niet eens een mobiele telefoon, zei hij. Het was goed zo. Harmen had flink tegengesputterd. Maar de man wuifde alles weg. Ze namen afscheid met een elleboog.

De volgende dag, aan het eind van de katerige middag, kreeg Harmen in zijn huis in de duinen een whatsappje. Het was een tikkie. 128 euro en 60 cent. De helft van de gepeperde rekening van de avond ervoor. Harmen betaalde meteen met een lach om zijn mond.

Later in de week leest hij in de gekochte krant uit het boekwinkeltje aan de Middenstreek de overlijdensadvertenties. Hij leest de naam van de man waarmee hij een paar dagen eerder had getafeld, de naam van de man van ‘toch nog een tikkie’. Harmen snapt er niets van. Navraag in zijn kennissenkring leert dat de man zelf voor de dood heeft gekozen. Dat hij de hand aan zichzelf moet hebben geslagen vlak nadat hij Harmen een tikkie had gestuurd.

‘Snappen ie dat nou?’, vraagt hij ons met een blik vol vragen. ‘Man, wat n verhoal’, zeg ik met warme stem. Twee mannen en een vrouw aan de stamtafel van hotel van der Werff zwijgen, verzonken in hun eigen gedachten.

In de buik van de Monnik, terug naar Lauwersoog, zegt mien laiverd dat het heerlijke dagen waren op Schier. ‘Ja’, beaam ik. ‘Dat waren t laiverd. Allint sund dat ik nog aal nait wait wat geprepareerde knorkukens binnen’.

Als u weet wat geprepareerde Leidsche knorkuikens zijn, ik hoor het graag: ehulsegge@rtvnoord.nl.

Meer over dit onderwerp:
kunst_en_cultuur WEER
Deel dit artikel:

Recent nieuws