Column: Terug naar school

Ik was van de week terug naar school. En ik moet zeggen: ik voelde me er thuis. De kleutertekening van een boom aan de muur, de overblijfkast, een klein jochie dat met de hand op zijn kruis schielijk in de wc verdween en gemompel en soms vrolijk gezang achter de klasdeuren.

Het klonk als muziek in de oren. Even sloot ik de ogen en waande mezelf weer in een schoolbankje op een herfstachtige vrijdagmiddag, luisterend naar het voorlezen van meester De Maar uit tweelingboek Beekman en Beekman. Of ik nooit was weggeweest.

Dat ik me thuis voelde op de Witte Bloem-school kwam misschien ook wel door corona. Om het beter te zeggen: het ontbreken van corona. In de hele school geen volwassen mens of kind met een mondkapje.

De kleine kleuters liepen hand in hand naar de gym, juf Esther sprak met zachte stem drukke Dylano even streng toe en meester Jeroen haalde met een lach op zijn gezicht een kop koffie om de ochtend te breken. De wereldziekte was ver weg in deze onderwijsoase.

Nu vraag je je misschien af wat ik deed op de Witte Bloem-school. Misschien schiet het even door je hoofd dat ik een nieuwe carrière ben begonnen. Nee, ik was daar als gastdocent. Dat docent is een groot woord. Ik was meer een gast die aan de leerlingen van juf Esther en juf Jeanine mocht vertellen over mijn beroep.

Och, er zijn mindere ‘peutjes’. Helemaal toen ik Noordmannen liet vallen en vertelde hoe de uitzending met Wiebe via een reportagewagen, de hemel (satelliet), Milaan (satellietontvanger) en de stad Groningen in de huiskamer belandde.

Een blond jongetje achter in de klas stak zijn vinger op. Ik dacht dat hij het niet snapte. En dat kon ik best begrijpen want eigenlijk snap ik het zelf ook niet. Nee, het jongetje vertelde met trots in zijn stem dat zijn opa en oma elke zondagmorgen naar Noordmannen luisteren.

Beter zou het die dag niet meer worden. ‘Dat vind ik mooi’, zei ik tegen hem. ‘Dan weet ik tenminste zeker dat we twee luisteraars hebben’. Onder de blonde lokken van het jochie verscheen een Pietje Bell-glimlach.

Ik kan er niets aan doen maar de glimlach van de jongen deed me denken aan Kootje. Kootje was een kleuter op de school in Muntendam waar ik ooit stage liep als kwekeling van de kweekschool. Juf Ans was de baas van dik dertig kleine Muntendammer koters.

Als kwekeling mocht ik van Juf Ans meisjes helpen met veters strikken, jongetjes de kont afvegen nadat ze heel hard ‘Klaarrr!!!’ hadden geroepen en ik mocht voorlezen. Dat laatste vond ik toch heel wat leuker dan die eerste twee bezigheden.

Ik had het sprookjesboek de Wolf en de Zeven Geitjes van huis meegenomen en bij het voorlezen erin, merkte ik tot mijn verbazing dat dertig Muntendammer kleuters ook stil konden zijn. Nou, op een na dan: Kootje.

Kootje was een blond jochie waar het woord kattenkwaad op zijn voorhoofd stond geschreven. Zo lijmde hij zijn tekening van een huis met een rokende schoorsteen en een zwarte hond in de tuin vast op tafel. Daarna vroeg hij aan een nietsvermoedende kwekeling of hij de tekening wel voor hem op wou hangen aan de waslijn met andere tekeningen.

Kootje deed niet alleen aan kattenkwaad. Ook aan scratchen. Scratchen is het heen en weer schuiven van de naald van een ouderwetse pick-up over een ouderwets singeltje. Dat maakt een krassend (scratch) geluid. In die tijd was dat helemaal hip en de muziekfrats wordt nog steeds gebruikt door rappers en dj’s.

Alleen scratchte Kootje niet met een naald en vinylplaat maar met de rits van zijn broek. Midden in het verhaal als de wolf met zijn witte meelpoot op de deur van de zeven geitjes klopt, hoor ik ineens ‘sjisjoe...sjusjoe’, een raar krassend geluid

Ik kijk op van het boek, maar zie niet meteen waar het gekke geluid vandaan komt. Ik lees weer verder hoe de geitjes in de witte meelpoottruc van de boze wolf trappen en de deur toch voor hem opendoen. En er zes geitjes een voor een worden opgegeten. In de muisstille kleuterklas hoor ik weer het sjisjoe...sjusjoe-geluid.

Dan zie ik de hand van Kootje heen en weer bewegen. En dat hij de sluiting open en neer haalt over de rits van zijn stuutsiekoorn (manchester) broek. ‘Blijf van je rits af Kootje’, zeg ik lang niet streng genoeg. Het is even stil.

Maar als ik in het verhaal ben dat Moeder Geit samen met het ontsnapte zevende geitje de buik van de boze wolf open knipt en de zes andere geitjes bevrijdt, hoor ik weer sjisjoe...sjusjoe. En dan er vlak er achteraan: ‘Aaaauuwwww!!!’

Kootje had in het vuur van het scratchspel niet alleen zijn rits gescratcht maar ook zijn piemeltje. t Leutje jong van de kleine jongen zat muurvast tussen sluiting en rits. En was er ondanks verwoede pogingen door mij en juf Ans niet meer uit te krijgen. Het eind van het liedje was dat Kootje naar dokter Maarsingh in het dorp moest om zijn geschonden edel deeltje weer bevrijd te krijgen. Van Kootje en zijn streken heb ik nooit meer last gehad.

Als mijn taak als gastdocent op de Witte Bloem-school erop zit, loop ik naar mijn auto op de parkeerplaats. Als ik achter het stuur zit, frommel ik mijn telefoon uit de zak om mijn berichtjes te checken. Dat frummelen uit de zak gaat veel makkelijker dan normaal.

Ik kijk hoe dat kan. Het bloed stijgt naar mijn hoofd. De rits van mijn spijkerbroek staat wagenwijd open. Heb ik de hele ochtend met een open rits rondgelopen op een basisschool. Daar kun je om allerlei redenen niet mee thuiskomen.

Gelukkig is mijn trui behoorlijk lang en die valt half over de rits. Och, denk ik ter eigen geruststelling: Ze hebben het vast niet gezien, anders hadden ze het wel gezegd.

Toch?

Erik Hulsegge

Ik wil iedereen hartelijk bedanken voor de tientallen reacties die ik binnen heb gekregen over de 'Geprepareerde Leidsche knorkuikens' van vorige week. Ik weet inmiddels heel veel meer. Maar de echte gouden tip is nog niet binnen.

Meer over dit onderwerp:
columns opinie
Deel dit artikel:

Recent nieuws