Column: Klootzak

Een week of zes geleden belde ik. Of ie zondagmorgen met ons mee wilde doen in de uitzending van Noordmannen. We gingen naar Essen, tussen spoor en Haren, vlak bij zijn huis. Hij kon niet, zei hij. De avond ervoor kreeg hij oude vrienden op bezoek.

Dat het laat zou worden. En dan in alle vroegte opstaan. Nee, dat werd hem net iets te veel. Ik vond het jammer maar begreep het wel. Henk was toen al ziek. Veel zieker dan ik dacht. ‘Maar ik wil nog wel een keertje met je afspreken’, zei hij aan het slot van het gesprek.

Mijn eigen drukke zelf kennende, zei ik: ‘Laten we meteen een datum prikken, anders blijft het erbij’. Zo gezegd zo gedaan. Hij mocht de plek kiezen.

Op de eerste donderdag van oktober loop ik onder de Gardepoort door, de poort waar ik duizenden keren eerder onderdoor ben gekomen, de poort naar het Martinikerkhof, de poort naar Noord.

Tenminste dat was het tot 2005. Nu is het de poort naar hotel Prinsenhof. Het binnenpleintje is nog als altijd, de entree is ‘nijmoods’. Ik loop naar binnen en kijk of ik hem ook zie zitten.

En ja, midden in het eetgedeelte, waar ooit onze radiostudio was, zit Henk.

Een tafel in het midden. Ik hou daar niet van. Er bekruipt me een ‘gramnieterg’ gevoel. Ik zit liever anoniem aan de zijkant. Zo, waar je anderen kunt beschouwen en waar je minder beschouwd wordt.

Ik wuif het ‘gramnieterg’ gevoel weg met de gedachte dat Henk er ook niets aan aan kan doen dat ze ons dit gereserveerd tafeltje hebben toebedeeld. Hij glimlacht als hij me ziet.

Ik vlei me tegenover hem aan tafel.

Hij ziet er beter uit dan ooit. Zijn ogen glanzen, de trekken in zijn blozend gezicht zijn zacht, bijna vredig. Hoe het is, vraag ik. En meteen er achteraan of hij wel zin heeft erover te praten. Dat wil hij met mij wel omdat ik een beetje weet hoe de vlag erbij hangt. ‘Ik heb geen zin meer het hele verhaal nog eens te vertellen’.

Hij legt uit hoe hij er nu voor staat. Die uitleg komt aan als een mokerslag. Hij zegt het voorzichtig, met een sprankje hoop, maar meer om het voor mij glad te strijken. ‘Ik heb een prachtig leven gehad’, zegt hij dan. ‘Alles wat ik maar wilde wensen’. Berusting klinkt in zijn stem.

‘Ik heb een cadeau voor je’, zegt hij dan opgewekt. ‘En ik betaal alles’. Hij overhandigt mij een cadeau in donkerpaars papier. Overduidelijk een fles. Henk zegt even niets. Hij laat mij in verwondering. ‘Het is wijn, een goede wijn’, gaat hij verder.

Intussen komt de serveerster voor de derde keer langs met de vraag of we al een keuze hebben gemaakt. Nog niet. Henk heeft aan zo’n twintig mensen uit zijn leven een fles wijn gegeven. ‘Ik heb ze allemaal gevraagd om ‘m leeg te drinken als ik er niet meer ben en dat vraag ik ook aan jou…’

Of het is om het bijzondere afscheidscadeau. Of om de blik van Henk, maar ik ben ontroerd en zeg dat ook. Er valt een stilte. In de stilte denk ik aan die keren dat hij de presentator aan de ene kant en ik de regisseur aan de andere kant van het studioglas was.

Mooiste was het belprogramma. Altijd Wat Anders. Cornelis ‘Meneer’ Bouwman uit Haren of schaatskoningin Marianne Timmer en schaatsmaatje Erik Bouwman, die stiekem met verdraaide stem inbelden in het programma als ze terugkwamen van de schaatstraining.

Henk en ik hadden de sport dat er geen muziek in het belhalfuurtje mocht. In honderden uitzendingen samen nooit een plaat gedraaid. Daar zorgde Henk wel voor. Ofschoon hij mij na afloop altijd de credits er voor gaf.

Ik was in die tijd nog heel ver weg van een plaats achter de microfoon. Ik bewonderde Henk hoe hij mensen wist te prikkelen en tegelijk voor hem wist te winnen, zijn onmetelijke kennis van alles, maar vooral zijn liefde voor Groningen en Groningers. Een man uit Deventer die geen Gronings sprak maar was begiftigd met een oer-Gronings gevoel.

‘Die fles wijn is ook omdat ik iets goed heb te maken’, breekt Henk de stilte. ‘Ik was niet altijd de aardigste’ en er komt een uitleg over de dingen waarmee hij worstelde in zijn werk en met zijn collega’s. ‘Ja’, zegt hij dan. ‘En ik heb jou een klootzak genoemd...’ Klootzak?

Mijn geheugenkast rammelt aan alle kanten maar er gaat geen laatje open. ‘Jaaa’, zegt hij weer. ‘Ik vond dat je het iets anders had moeten doen en jij vond van niet. Ik schold je uit voor klootzak…’ Er komen flarden van meningsverschillen boven. Bijna ruzies ook. Henk was een perfectionist voor zichzelf en voor anderen. Dan ben je niet altijd de fijnste collega.

‘Je hebt weken niets tegen me gezegd’, en hij kijkt me aan met melancholieke ogen. Ik kan het me nog steeds niet herinneren. ‘Ik geloof je Henk. Maar een ding; ik weet er helemaal niets meer van. Het heeft dus niets met mij gedaan…’

Anderhalf uur later staan we bij de kassa. Henk wil afrekenen. Ik wil op hem wachten zodat we samen naar buiten lopen. ‘Ga maar’, zegt hij met een toon van: het is beter zo. Ik weet niet wat te zeggen, steek mijn hand omhoog en loop met een fles wijn onder de arm weg.

Bij de deur naar buiten draai ik me nog een keer om en we kijken elkaar aan. ‘Bedankt voor alles’, zeg ik zacht.

Afgelopen woensdag, kwart voor vier, rij ik in de Noord-auto op het sluippad van Oosterburen tussen Eemshavenweg en Middelstum op weg naar borg Ewsum. Een buizerd vliegt op uit de slootwal. Ik bedenk me ineens dat ik Henk nog eens even moet bellen hoe het met hem is. Morgenochtend, maar even doen.

Ik voel iets kriebelen op mijn linkerhand die op het stuur ligt. Het gekriebel komt van een lieveheersbeestje. Zijn die er nog? Mijn gedachten gaan weer naar Henk hoe wij daar midden in de eetzaal, op de plek van de studio van Radio Noord, van het Prinsenhof zaten.

Dan valt het kwartje. Die plek. Die plek was onze plek. De eettafel stond in het midden, exact op de plek waar hij in de grote radiostudio achter het glas zat en ik ervoor. Verdold.

Die woensdagavond overleed Henk Binnendijk op 67-jarige leeftijd. Veuls te vroug, veuls te vlug. De volgende morgen krijg ik een appje. Het bericht grijpt me bij de strot.

De fles wijn is leeg. Moi Henk.

Erik Hulsegge

Meer over dit onderwerp:
WEER
Deel dit artikel:

Recent nieuws