Column: Heilig gras

Ik heb een dilemma. Dilemma komt uit het Grieks. Taalmannetje als ik dacht te zijn koos ik in mijn tienerjaren op de middelbare school in de Molenstad voor het gymnasium. Dat resulteerde in twee jaar les in oud-Grieks van mijnheer Tiemersma.

Behalve de eerste vijf letters van het Griekse alfabet weet ik er niks meer van. Dat lag niet aan mijnheer Tiemersma maar meer aan mijn ontluikende interesses in het echte leven als bier en meisjes. Daar kan ik tientallen herinneringen van opsommen. Van Grieks heb ik niets onthouden en ook nooit een jota gesnapt. Van meisjes trouwens ook niet.

Daarom heb ik het even opgezocht. Dilemma komt van dilemmatos en betekent ‘twee voorstellen’. Of hedendaagser: tweestrijd, dubio of netelig vraagstuk. Het beeld dat de Grieken bij dilemma gebruikten is dat van een woest aanvallende stier. Het dilemma is volgens de oude wijze Grieken op welke hoorn van de stier je gespietst wil worden. Over netelige vraagstukken gesproken.

Dat van die woeste stier spreekt mij wel aan. Ik, geboren sterrebeeldstier, ben ook woest en heb dus een dilemma. Dat heeft alles te maken met mijn gras. Mijn heilig gras durf ik wel zeggen. Want ‘mien kampke gras is mien alles’.

Een aantal jaren geleden zei ik mijn keurige rotstuin die in twee decennia veranderd was in een Afrikaanse jungle vaarwel. Tot grote blijdschap van buurman Knuterman en de hele straat kreeg ik een keurig burgerlijk gazon, groen als gras.

Ik heb iets met gras. Voetballen op nat net gemaaid gras: het summum (dit komt overigens uit het Latijn waar ik ook geen zak meer van weet). En dan heb ik het nog niet eens over de geur. Het aroma (komt uit het Latijn: welriekend kruid) vliegt me in de neus als ik dit schrijf.

Ooit werkte ik voor een grasveredelingsbedrijf en maakte ik onderdeel uit van het kweekproces van het ultieme gras. Engels raai, Italiaans raai, roodzwenk, zwart gras. Ik zou mezelf zo graskenner kunnen noemen.

En dat denk ik ook bij het onderhoud van mijn gazon. Je moet je mijn ‘kampke gras’ zo voorstellen: voor mijn huis ligt tot aan het voetpad drie meter gras over een breedte van zo’n pak ‘m beet acht meter. En dat wordt doorkruist met een licht slingerend pad naar mijn voordeur. En al zeg ik het zelf: mijn gazon ligt er altijd strak bij.

Ik heb de rottige kattenstaart (heermoes) grandioos verslagen, de paardenbloemen heb ik nagenoeg allemaal verbannen naar andere lustoorden. Lees: de buren. En ook het verrekte mos moest eraan geloven. Strak groen. Zo hoort gras te zijn, aldus Erik Jan de Tuinman.

Niet zo lang geleden had ik een beetje buikpijn want voor de schoorsteenbouwers van mijn nieuwe schoorsteen werd een steiger gebouwd. Een van de steigerpoten stond noodgedwongen drie weken op mijn gras. Na die drie weken had ik een lichtgroene bijna witte afdruk van een grote steigerpoot in mijn gras. Dat deed zeer. Buurman Knuterman zag het aan me. ‘Komt wel weer goud’, zei hij en legde een troostende hand op mijn schouder.

Maar bij die ene steigerpootafdruk bleef het niet. Sinds de steiger weer weg is, heb ik ook bandensporen in mijn gras. Sporen van fietsbanden. Diepe dikke sporen. Van wie die zijn?

Daar kwam ik achter na enig onderzoek. Dat onderzoek bestond uit een nachtelijke gang naar de wc. Slaapdronken zag ik door het rooster van de voordeur een fel lampje op me afkomen. Voor ik het besefte plofte een krant voor mijn voeten op de mat. Ik zag de krantenbezorger zich met fiets en al omdraaien om zijn weg te vervolgen. Over mijn gras.

Daar had ik de dader van het bezoedelen van mijn heilig gras op heterdaad betrapt. En nu kom ik bij mijn dilemma. Wat moet ik doen aan deze dekselse brutaliteit? Het voor lief nemen of keihard ingrijpen?

Ik als voormalig bezorger van het Nieuwsblad van het Noorden snap en ken de obstakels van het vliegensvlug afwerken van een krantenwijk. Een oprit van dik grind waar je fietsbanden zich diep ingraven, een hoge stoep voor de deur waardoor je net niet bij de brievenbus kan of een te dikke tochtborstel achter de gleuf die de krant doet scheuren.

En dan heb ik het nog niet eens over woeste bouviers die standaard een hekel hebben aan krantenbezorgers. Ondertussen had ik al wel de gedachte om stiekem een spijkerband neer te leggen en een doos punaises uit te strooien in het gras.

Maar als oud-vakbroeder doe je dat niet. Dus koos ik voor de bezorgerlievende weg en plakte een briefje op de voordeur met het vriendelijk verzoek niet over het gras te rijden. Dat ging goed. De sporen bleven weg. Ik had weer vertrouwen in de bezorger. Zoveel vertrouwen dat ik het briefje weer weghaalde.

De volgende morgen zag ik andermaal diepe fietsbandsporen in mijn gras. Ik bedacht een enorme valkuil in de grasroute van de bezorger. Twee meter breed en twee meter diep met een dun grasgroen kleedje erover. Dan zou het grasgefiets zeker stoppen.

Maar als oud-vakbroeder doe je dat niet. Dus had ik nog steeds een dilemma. Ik bedacht dat ik maar eens vroeg moest opstaan en hem persoonlijk als krantenbezorgers onder elkaar te wijzen op de schade die hij aanricht in mijn heilige gras en in mijn geest. Heilige geest zou hier een stap te ver gaan, want in mijn hoofd is het verre van heilig.

Ik ging nog een keer maaien zodat mijn gazon er strak en winterklaar bij lag. Zo kon de bezorger bij ons goed gesprek zijn aangerichte schade aanschouwen op dit natuurlijk tapijt.

Woensdagmiddag. Ik heb mijn gazon weer omgetoverd tot een groen laken. Beetje maaien, niet te kort met het oog op de winter, kantjes eraf met de kantjesmaaier en nog een beetje mest en graszaad gestrooid voor het beste resultaat.

Ik heb net de maaiers en de kunstmest weer in de garage gezet en bekijk door het rooster van de voordeur mijn ambachtelijk graswerk. Op het tuinpad komt een man met een dikke stapel kranten aangelopen. Zonder mij te zien schuift hij de huis-aan-huis door de bus, draait zich om en loopt dan doodleuk over mijn gras de kortste route naar de buren.

Tja, daar sta je dan. Ik weet nog dat Lientje er ooit op stond dat we een hek voor het huis en voor ons gazon kregen. Dat vond ze mooi. Bovendien was - zo had ze op een oude foto gezien - ons huisje altijd voorzien geweest van een mooi hek. ‘En ook lekker handig voor de postbode en de krantenbezorger’, voegde ze er nog even fijntjes aan toe.

Geen grijze haar op mijn hoofd die aan een hek dacht. Niet praktisch met het maaien en zo kwam mijn heilig gras ook minder goed voor de dag. Lientje kon hoog en laag springen. Dat hek kwam er niet. Daarna bleef het dagen stil in huis.

Met terugwerkende kracht - de verkering is al lang uit - moet ik het schoorvoetend toegeven. En dat zeg ik niet graag: ze heeft toch gelijk gehad.

Erik Hulsegge

Meer over dit onderwerp:
columns opinie
Deel dit artikel:

Recent nieuws